Goddestination

Az-Zukhruf

Az-Zoekhroef

De Versiering

89 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 حمۤ

    ham

    Ha. Mim.

  2. 2 وَٱلۡكِتَـٰبِ ٱلۡمُبِینِ

    Wal-kitabie Al-Moebīnie

    Bij het duidelijke boek,

  3. 3 إِنَّا جَعَلۡنَـٰهُ قُرۡءَ ٰ⁠ نًا عَرَبِیࣰّا لَّعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ

    Dja'alnaah Koran geloof nã Arabisch la'alla-koem ta'qieloena

    Waarlijk, wij hebben dit als een Arabischen Koran bevolen, opdat gij dien zoudt begrijpen.

  4. 4 وَإِنَّهُۥ فِیۤ أُمِّ ٱلۡكِتَـٰبِ لَدَیۡنَا لَعَلِیٌّ حَكِیمٌ

    Wa innahoe Oemmie Al Kitaab La-eli hakiemoen

    En het is zekerlijk in het oorspronkelijke boek geschreven, dat door ons bewaard, heerlijk en vol van wijsheid is.

  5. 5 أَفَنَضۡرِبُ عَنكُمُ ٱلذِّكۡرَ صَفۡحًا أَن كُنتُمۡ قَوۡمࣰا مُّسۡرِفِینَ

    A fa nadriboe an-koemoe Adh-Dhikr safhan an kavmen moesrifien

    Zullen wij dus de vermaning van u afwenden en u daarvan berooven, omdat gij een volk van overtreders zijt?

  6. 6 وَكَمۡ أَرۡسَلۡنَا مِن نَّبِیࣲّ فِی ٱلۡأَوَّلِینَ

    min Nebie fee Al-awwalien

    Hoeveel profeten hebben wij tot de vroegere volkeren gezonden?

  7. 7 وَمَا یَأۡتِیهِم مِّن نَّبِیٍّ إِلَّا كَانُوا۟ بِهِۦ یَسۡتَهۡزِءُونَ

    vama ja'tihim min Nebie illa kanoe behi jastahziun

    En er kwam geen profeet tot hen, of zij lachten verachtelijk,

  8. 8 فَأَهۡلَكۡنَاۤ أَشَدَّ مِنۡهُم بَطۡشࣰا وَمَضَىٰ مَثَلُ ٱلۡأَوَّلِینَ

    feh'likna asjed batsj vamaza masal Al-awwalien

    Daarom vernietigden wij volkeren die machtiger dan deze in sterkte waren, en het voorbeeld der vroegere volkeren is voor hen geplaatst.

  9. 9 وَلَىِٕن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضَ لَیَقُولُنَّ خَلَقَهُنَّ ٱلۡعَزِیزُ ٱلۡعَلِیمُ

    Vallain saaltahum khalak As-samawa geloof te Wal-ard lajkoeloelonna chalaqahoenna Al-Aziez Al-'Aliem

    Indien gij hun vraagt wie de hemelen, en de aarde schiep, zullen zij zekerlijk antwoorden: De machtige, de wijze God schiep die.

  10. 10 ٱلَّذِی جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ مَهۡدࣰا وَجَعَلَ لَكُمۡ فِیهَا سُبُلࣰا لَّعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ

    al-ladhie djaala lakumu Al-ard mehdan wadzjala lakum fieha soeboelan la'alla-koem Tehtedoen

    Wie heeft de aarde als een bed voor u uitgespreid, en heeft daarop paden voor u gemaakt, opdat gij geleid zoudt worden?

  11. 11 وَٱلَّذِی نَزَّلَ مِنَ ٱلسَّمَاۤءِ مَاۤءَۢ بِقَدَرࣲ فَأَنشَرۡنَا بِهِۦ بَلۡدَةࣰ مَّیۡتࣰاۚ كَذَ ٰ⁠لِكَ تُخۡرَجُونَ

    Walladie nezzala mina As-samaa ma bekadar Fe ansharna behi balda mejt kaza geloof leka toechdzjoen

    En wie zendt den regen bij mate neder waardoor wij een dood land verkwikken? (Zoo zult gij uit uwe graven worden opgewekt).

  12. 12 وَٱلَّذِی خَلَقَ ٱلۡأَزۡوَ ٰ⁠جَ كُلَّهَا وَجَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلۡفُلۡكِ وَٱلۡأَنۡعَـٰمِ مَا تَرۡكَبُونَ

    Walladie khalak Al-azwa geloof dzja koellaha wadzjala min Al-foelk Wal-anami ma tarkaboen

    En wie heeft al de verschillende dingen geschapen, en u schepen en vee gegeven?

  13. 13 لِتَسۡتَوُۥا۟ عَلَىٰ ظُهُورِهِۦ ثُمَّ تَذۡكُرُوا۟ نِعۡمَةَ رَبِّكُمۡ إِذَا ٱسۡتَوَیۡتُمۡ عَلَیۡهِ وَتَقُولُوا۟ سُبۡحَـٰنَ ٱلَّذِی سَخَّرَ لَنَا هَـٰذَا وَمَا كُنَّا لَهُۥ مُقۡرِنِینَ

    Letastoeoea Ala Zoehoeriehie thoemma tazkoeroe Niemah Rabbi koem ieza istavajtoem alayhi weta koeloe Soebhan al-ladhie sachchara lana haza vama konna moekriniena

    Waardoor gij vervoerd wordt, opdat gij stevig op hunne ruggen zoudt zitten, en de gunst van uwen Heer zoudt gedenken, als gij daarop zit, en zeggen zoudt: Geloofd zij hij, die deze schepen en dieren aan onzen dienst heeft onderworpen! want wij zouden die door eigene macht niet hebben kunnen bemeesteren.

  14. 14 وَإِنَّاۤ إِلَىٰ رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ

    iela Rabiena lamoenkalieboen

    En tot onzen Heer zullen wij zekerlijk terugkeeren.

  15. 15 وَجَعَلُوا۟ لَهُۥ مِنۡ عِبَادِهِۦ جُزۡءًاۚ إِنَّ ٱلۡإِنسَـٰنَ لَكَفُورࣱ مُّبِینٌ

    vadzdjaalu ibadihi dzjoez-en Inna Al-insan Lakafoer moebien

    Toch hebben zij sommige zijner dienaren als zijne kinderen gehouden; waarlijk de mensch is klaarblijkelijk ondankbaar.

  16. 16 أَمِ ٱتَّخَذَ مِمَّا یَخۡلُقُ بَنَاتࣲ وَأَصۡفَىٰكُم بِٱلۡبَنِینَ

    ami ittakhatha mema jahlokoe banat waa-as-faa-koem Belbanina

    Heeft God dochters genomen uit de wezens, die hij heeft geschapen, en heeft hij zonen uit u gekozen?

  17. 17 وَإِذَا بُشِّرَ أَحَدُهُم بِمَا ضَرَبَ لِلرَّحۡمَـٰنِ مَثَلࣰا ظَلَّ وَجۡهُهُۥ مُسۡوَدࣰّا وَهُوَ كَظِیمٌ

    wa iza boesjira ahadoehoem bima daraba Lil-rahman dalla Wadjhoehoeh moesawwaddan Wahoea kazim

    Maar als aan een van hen het bericht wordt gebracht der geboorte van een kind dier kunne, welke zij den Barmhartige als hem gelijk toeschrijven, dan wordt zijn aangezicht zwart en hij is met spijt vervuld.

  18. 18 أَوَمَن یُنَشَّؤُا۟ فِی ٱلۡحِلۡیَةِ وَهُوَ فِی ٱلۡخِصَامِ غَیۡرُ مُبِینࣲ

    A o man joenasjau fee Al-Hiljati Wahoea fee Al-Chisami ghair mobien

    Schrijven zij daarom aan God eene vrouwelijke nakomelingschap toe, uit de wezens die onder versierselen worden opgevoed en zonder reden twisten?

  19. 19 وَجَعَلُوا۟ ٱلۡمَلَـٰۤىِٕكَةَ ٱلَّذِینَ هُمۡ عِبَـٰدُ ٱلرَّحۡمَـٰنِ إِنَـٰثًاۚ أَشَهِدُوا۟ خَلۡقَهُمۡۚ سَتُكۡتَبُ شَهَـٰدَتُهُمۡ وَیُسۡـَٔلُونَ

    vadzdjaalu Al-Malaika Alladhiena hoem ibadoe Ar-Rahman inaatha asjahiedoe halkahum satoektaboe sjahadatuhum vajuseloe-na

    En maken zij de engelen, die de dienaren des Barmhartigen zijn vrouwelijk? Waren zij bij hunne schepping tegenwoordig? Hunne getuigenis zal nedergeschreven worden, en zij zullen daaromtrent op den dag des oordeels ondervraagd worden.

  20. 20 وَقَالُوا۟ لَوۡ شَاۤءَ ٱلرَّحۡمَـٰنُ مَا عَبَدۡنَـٰهُمۗ مَّا لَهُم بِذَ ٰ⁠لِكَ مِنۡ عِلۡمٍۖ إِنۡ هُمۡ إِلَّا یَخۡرُصُونَ

    wa kaaloe Lauw sjaa Ar-Rahman ma abednahum maa beza geloof leka ilmin hoem illa jachroesoen

    En zij zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij hen niet hebben vereerd. Zij hebben geene kennis daarvan, zij spreken slechts eene ijdele leugen uit.

  21. 21 أَمۡ ءَاتَیۡنَـٰهُمۡ كِتَـٰبࣰا مِّن قَبۡلِهِۦ فَهُم بِهِۦ مُسۡتَمۡسِكُونَ

    am Atienahum kitaban min kabliehie fahm behi moestamsiekoenoe

    Hebben wij hun ooit te voren een boek met openbaringen vóór dit gegeven, en houden zij dat in hunne bewaring?

  22. 22 بَلۡ قَالُوۤا۟ إِنَّا وَجَدۡنَاۤ ءَابَاۤءَنَا عَلَىٰۤ أُمَّةࣲ وَإِنَّا عَلَىٰۤ ءَاثَـٰرِهِم مُّهۡتَدُونَ

    Kaloe abana Oemmah wa-inna asarihim moechtadoen

    Neen! Maar zij zeggen: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen dezen godsdienst uitoefenden, en wij richten ons naar hunne voetstappen.

  23. 23 وَكَذَ ٰ⁠لِكَ مَاۤ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ فِی قَرۡیَةࣲ مِّن نَّذِیرٍ إِلَّا قَالَ مُتۡرَفُوهَاۤ إِنَّا وَجَدۡنَاۤ ءَابَاۤءَنَا عَلَىٰۤ أُمَّةࣲ وَإِنَّا عَلَىٰۤ ءَاثَـٰرِهِم مُّقۡتَدُونَ

    vakaza geloof leka min kablik fee Karija min Nazier illa kala Moetrefoeha abana Oemmah wa-inna asarihim moektedoen

    Wij zouden geen prediker voor u, naar geene stad, of de bewoners daarvan, die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen eenen godsdienst uitoefenden, en wij traden in hunne voetstappen.

  24. 24 ۞ قَـٰلَ أَوَلَوۡ جِئۡتُكُم بِأَهۡدَىٰ مِمَّا وَجَدتُّمۡ عَلَیۡهِ ءَابَاۤءَكُمۡۖ قَالُوۤا۟ إِنَّا بِمَاۤ أُرۡسِلۡتُم بِهِۦ كَـٰفِرُونَ

    Kale awalaw Djetkoem be-ah-da mema vadjadoetom alayhi abaaokum Kaloe oersiltum behi kafiroen

    En de prediker antwoordde: Wat! niettegenstaande ik u eenen meer waren godsdienst breng, dan die welken gij bevondt dat door uwe vaderen werd gevolgd? En zij hernamen: Waarlijk, wij gelooven datgene niet, wat gij gezonden zijt te prediken.

  25. 25 فَٱنتَقَمۡنَا مِنۡهُمۡۖ فَٱنظُرۡ كَیۡفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلۡمُكَذِّبِینَ

    fantakmna fanzur kajfa kana akiba Al-moekaddibien

    Daarom namen wij wraak op hen; en aanschouw wat het einde was van hen, die onze gezanten van bedrog beschuldigden.

  26. 26 وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَ ٰ⁠هِیمُ لِأَبِیهِ وَقَوۡمِهِۦۤ إِنَّنِی بَرَاۤءࣱ مِّمَّا تَعۡبُدُونَ

    Wiez kala Ibra geloof hejmu leabihih Wa kawmihi Inanie beraun mimma ta'boedoen

    Herdenk toen Abraham tot zijn vader en tot zijn volk zeide: Waarlijk ik ben rein van de goden welke gij vereert.

  27. 27 إِلَّا ٱلَّذِی فَطَرَنِی فَإِنَّهُۥ سَیَهۡدِینِ

    illa al-ladhie fataranie Fa-iennahoe Sajedien

    Ik aanbid slechts hem die mij heeft geschapen: voor hem zal ik mij op den waren weg richten.

  28. 28 وَجَعَلَهَا كَلِمَةَۢ بَاقِیَةࣰ فِی عَقِبِهِۦ لَعَلَّهُمۡ یَرۡجِعُونَ

    wadjaalahaa fee akibihi la-allahum yardzjiehoen

    En hij (Abraham) beval, dat dit een vaste leer voor zijn nakomelingschap zou wezen, opdat zij van den afgodendienst zouden worden afgewend, naar de vereering van den eenigen, waren God.

  29. 29 بَلۡ مَتَّعۡتُ هَـٰۤؤُلَاۤءِ وَءَابَاۤءَهُمۡ حَتَّىٰ جَاۤءَهُمُ ٱلۡحَقُّ وَرَسُولࣱ مُّبِینࣱ

    mattektu ha-oelaa-i oeaabaahum hata djaahoemoem Verasoel mubien

    Waarlijk, ik heb dezen bewoners van Mekka en hunnen vaderen veroorloofd in voorspoed te leven, tot de waarheid tot hen zou komen en een duidelijke gezant.

  30. 30 وَلَمَّا جَاۤءَهُمُ ٱلۡحَقُّ قَالُوا۟ هَـٰذَا سِحۡرࣱ وَإِنَّا بِهِۦ كَـٰفِرُونَ

    welamma djaahoemoem haza seh-r wa-inna behi kafiroen

    Maar nu de waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: Dit is een goochelstuk, en wij gelooven niet daaraan.

  31. 31 وَقَالُوا۟ لَوۡلَا نُزِّلَ هَـٰذَا ٱلۡقُرۡءَانُ عَلَىٰ رَجُلࣲ مِّنَ ٱلۡقَرۡیَتَیۡنِ عَظِیمٍ

    wa kaaloe lawla noezziela haza Koran Ala redjoel min Al-karjateini aziem

    En zij zeggen: Indien deze Koran aan sommige voorname menschen van elke der beide steden ware nedergezonden, zouden wij dien hebben ontvangen.

  32. 32 أَهُمۡ یَقۡسِمُونَ رَحۡمَتَ رَبِّكَۚ نَحۡنُ قَسَمۡنَا بَیۡنَهُم مَّعِیشَتَهُمۡ فِی ٱلۡحَیَوٰةِ ٱلدُّنۡیَاۚ وَرَفَعۡنَا بَعۡضَهُمۡ فَوۡقَ بَعۡضࣲ دَرَجَـٰتࣲ لِّیَتَّخِذَ بَعۡضُهُم بَعۡضࣰا سُخۡرِیࣰّاۗ وَرَحۡمَتُ رَبِّكَ خَیۡرࣱ مِّمَّا یَجۡمَعُونَ

    ahum Yaksimoen rahmat nahnoe kasamna ma'iesjatahoem fee Al-hayati Wa rafa'na bas-hoem fauka bas lie-jat-ta-chi-za bas soechrijaan Waraḥmatoe Rabbi-k hajr mimma jeg-ma-un

    Deelen zij dan de genade van uwen Heer uit. Wij verdeelen den noodigen voorraad onder hen, in dit tegenwoordige leven, en wij verheffen sommigen van hen, eenige graden boven de anderen, opdat de een van hen zich door den ander van hen doe dienen, en de genade van uwen Heer is meer waard dan de rijkdommen welke zij bijeenverzamelen.

  33. 33 وَلَوۡلَاۤ أَن یَكُونَ ٱلنَّاسُ أُمَّةࣰ وَ ٰ⁠حِدَةࣰ لَّجَعَلۡنَا لِمَن یَكۡفُرُ بِٱلرَّحۡمَـٰنِ لِبُیُوتِهِمۡ سُقُفࣰا مِّن فِضَّةࣲ وَمَعَارِجَ عَلَیۡهَا یَظۡهَرُونَ

    Walawla an jakoena An-naas en geloof la-dzdja'alna Jakfuru Bismi r-Rahmani Liboejoethem soekoefan min zilver vemaariedja alejha yizharoena

    Indien het niet ware, geheel het menschelijk geslacht ongeloovigen te zien worden, waarlijk, dan hadden wij aan hen, die niet in den Barmhartige gelooven, zilveren daken op hunne huizen gegeven, en zilveren trappen, waardoor zij daarin hadden kunnen opklimmen;

  34. 34 وَلِبُیُوتِهِمۡ أَبۡوَ ٰ⁠بࣰا وَسُرُرًا عَلَیۡهَا یَتَّكِـُٔونَ

    Waliboetiehim Abu geloof ba vasuruuran alejha jettekie-oen

    En zilveren zetels om er op te leunen.

  35. 35 وَزُخۡرُفࣰاۚ وَإِن كُلُّ ذَ ٰ⁠لِكَ لَمَّا مَتَـٰعُ ٱلۡحَیَوٰةِ ٱلدُّنۡیَاۚ وَٱلۡـَٔاخِرَةُ عِندَ رَبِّكَ لِلۡمُتَّقِینَ

    Wezochroefan Vuh-in koel-loe dha geloof leka Lama mata'oe Al-hayati Wal-achieratoe enda Rabbi-k lil-moettaqien

    En gouden versiersels; want dit alles is de voorraad van dit leven; maar het volgende leven met uwen Heer zal voor degenen wezen, die hem vreezen.

  36. 36 وَمَن یَعۡشُ عَن ذِكۡرِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ نُقَیِّضۡ لَهُۥ شَیۡطَـٰنࣰا فَهُوَ لَهُۥ قَرِینࣱ

    Vaman ja'sjoe an Zikri Ar-Rahman Noekayyid sjejtaan fahoea Karien

    Wie van de vermaning van den Barmhartige zal afdwalen, zullen wij aan een duivel vastketenen, en hij zal zijn onafscheidelijke makker wezen.

  37. 37 وَإِنَّهُمۡ لَیَصُدُّونَهُمۡ عَنِ ٱلسَّبِیلِ وَیَحۡسَبُونَ أَنَّهُم مُّهۡتَدُونَ

    Wa innahum la-ja-soed-doe-nah-hoem ane As-sabiel vay-has-boen annahoem moechtadoen

    De duivels zullen de menschen van het pad der waarheid afwenden, en zij zullen zich verbeelden, op den waren weg te zijn geleid.

  38. 38 حَتَّىٰۤ إِذَا جَاۤءَنَا قَالَ یَـٰلَیۡتَ بَیۡنِی وَبَیۡنَكَ بُعۡدَ ٱلۡمَشۡرِقَیۡنِ فَبِئۡسَ ٱلۡقَرِینُ

    ieza Djaana kala Jalajt bajni oebainaka boeda Al-masjriekain fabisa Al-Karien

    Totdat, wanneer de mensch op den jongsten dag voor ons zal verschijnen, hij tot den duivel zal zeggen: Had God gegeven, dat er tusschen ons een afstand ware geweest, als van het Oosten tot het Westen! O welk een vreeselijke makker zijt gij!

  39. 39 وَلَن یَنفَعَكُمُ ٱلۡیَوۡمَ إِذ ظَّلَمۡتُمۡ أَنَّكُمۡ فِی ٱلۡعَذَابِ مُشۡتَرِكُونَ

    velan janfakoemoe Al-jauma dhallemtoem anakoem fee Al-azabie moesjtariekoen

    Maar geene wenschen zullen u op dien dag baten; want gij zult deelgenooten derzelfde straf zijn.

  40. 40 أَفَأَنتَ تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ أَوۡ تَهۡدِی ٱلۡعُمۡیَ وَمَن كَانَ فِی ضَلَـٰلࣲ مُّبِینࣲ

    afanta toesmioe As-soemma au tehdi Al-oemja Vaman kana fee dalal

    Kunt gij, o profeet! den doove hoorend maken, of den blinde richten, en hem, die in eene duidelijke dwaling verkeert?

  41. 41 فَإِمَّا نَذۡهَبَنَّ بِكَ فَإِنَّا مِنۡهُم مُّنتَقِمُونَ

    fe'ima Nezheban beka moentakiemoen

    Hetzij wij u uit hun midden wegnemen, wij zullen zekerlijk wraak op hen nemen.

  42. 42 أَوۡ نُرِیَنَّكَ ٱلَّذِی وَعَدۡنَـٰهُمۡ فَإِنَّا عَلَیۡهِم مُّقۡتَدِرُونَ

    au Nurienaka al-ladhie wa'adnahum moektadiroen

    Of hetzij wij u de uitvoering der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, wij zullen zekerlijk de overmacht over hen hebben.

  43. 43 فَٱسۡتَمۡسِكۡ بِٱلَّذِیۤ أُوحِیَ إِلَیۡكَۖ إِنَّكَ عَلَىٰ صِرَ ٰ⁠طࣲ مُّسۡتَقِیمࣲ

    festemsek Bil-ladhi oechia Innaka Ala sira geloof te moestakiem

    Houdt dus de leer vast, die u werd geopenbaard; want gij bewandelt den waren weg.

  44. 44 وَإِنَّهُۥ لَذِكۡرࣱ لَّكَ وَلِقَوۡمِكَۖ وَسَوۡفَ تُسۡـَٔلُونَ

    Wa innahoe Lazikr laka Waliqawmi vasof tes-aloen

    Zij is een gedenkteeken voor u en uw volk, en hierna zult gij ondervraagd worden, nopens de inachtneming daarvan.

  45. 45 وَسۡـَٔلۡ مَنۡ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ مِن رُّسُلِنَاۤ أَجَعَلۡنَا مِن دُونِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ءَالِهَةࣰ یُعۡبَدُونَ

    Vesal min kablik min Roesoelena Adjielna min doe-ne Ar-Rahman aleha joebdoenoe

    Ondervraag onze gezanten, welke wij vóór u hebben gezonden, of wij godheden, buiten den Barmhartige, ter vereering hebben aangewezen.

  46. 46 وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا مُوسَىٰ بِـَٔایَـٰتِنَاۤ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَمَلَإِی۟هِۦ فَقَالَ إِنِّی رَسُولُ رَبِّ ٱلۡعَـٰلَمِینَ

    Vuh-lakd iela Fir'aun Wa mala-ihie fakala Innie Resoel Rabbi Al-alemien

    Wij zonden vroeger Mozes met zijn teekenen tot Pharao en diens vorsten, en hij zeide: Waarlijk, ik ben de gezant van den Heer van alle schepselen.

  47. 47 فَلَمَّا جَاۤءَهُم بِـَٔایَـٰتِنَاۤ إِذَا هُم مِّنۡهَا یَضۡحَكُونَ

    falamā Djaa-hoem ieza jadhakoena

    En toen hij met onze teekenen tot hen kwam, ziet, toen lachten zij verachtelijk om hem.

  48. 48 وَمَا نُرِیهِم مِّنۡ ءَایَةٍ إِلَّا هِیَ أَكۡبَرُ مِنۡ أُخۡتِهَاۖ وَأَخَذۡنَـٰهُم بِٱلۡعَذَابِ لَعَلَّهُمۡ یَرۡجِعُونَ

    vama Noeriehiem aja illa heja oechtiehaa en Wij grepen hen Bil'azab la-allahum yardzjiehoen

    Wij toonden hun echter teekenen waarvan het eene grooter dan het andere was, en wij legden hun eene straf op, opdat zij wellicht zouden worden bekeerd.

  49. 49 وَقَالُوا۟ یَـٰۤأَیُّهَ ٱلسَّاحِرُ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ بِمَا عَهِدَ عِندَكَ إِنَّنَا لَمُهۡتَدُونَ

    wa kaaloe Ya ayyuha As-sahiroe oed'oe lana Rabbak bima ahid indaka Inna lamoehtedoenen

    En zij zeiden tot Mozes: O toovenaar! bid uwen Heer voor ons, overeenkomstig het verbond, dat hij met u heeft gesloten; want wij zullen zekerlijk goed geleid worden.

  50. 50 فَلَمَّا كَشَفۡنَا عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابَ إِذَا هُمۡ یَنكُثُونَ

    falamā kasjafna anhumu Al-azaab ieza hoem jankoethoen

    Maar toen wij de plaag van hen afnamen, ziet, toen braken zij hunne belofte.

  51. 51 وَنَادَىٰ فِرۡعَوۡنُ فِی قَوۡمِهِۦ قَالَ یَـٰقَوۡمِ أَلَیۡسَ لِی مُلۡكُ مِصۡرَ وَهَـٰذِهِ ٱلۡأَنۡهَـٰرُ تَجۡرِی مِن تَحۡتِیۤۚ أَفَلَا تُبۡصِرُونَ

    Vanadium Farao fee kala Ja koumi alejsa Lei Moelkoe Egypte vahadihi Al-Anharu tadzjrie min tach-tie a-fa-laa toebsieroen

    En Pharao richtte eene bekendmaking tot zijn volk, zeggende: O mijn volk! is het koninkrijk Egypte niet mijn, en deze rivieren, die onder mij stroomen? Ziet gij niet?

  52. 52 أَمۡ أَنَا۠ خَیۡرࣱ مِّنۡ هَـٰذَا ٱلَّذِی هُوَ مَهِینࣱ وَلَا یَكَادُ یُبِینُ

    am ana hajr haza al-ladhie hoe mehin Yakadoe jobin

    Ben ik niet beter dan deze Mozes, die een verachtelijk persoon is, En zich slechts zelden verstaanbaar kan uitdrukken.

  53. 53 فَلَوۡلَاۤ أُلۡقِیَ عَلَیۡهِ أَسۡوِرَةࣱ مِّن ذَهَبٍ أَوۡ جَاۤءَ مَعَهُ ٱلۡمَلَـٰۤىِٕكَةُ مُقۡتَرِنِینَ

    Oelkiya alayhi aswirat min zahabin au jaa Al-malaika moektarienien

    Zijn hem dan gouden armbanden gegeven, of volgen de engelen hem in geregelden optocht?

  54. 54 فَٱسۡتَخَفَّ قَوۡمَهُۥ فَأَطَاعُوهُۚ إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ قَوۡمࣰا فَـٰسِقِینَ

    fastachaf kawmehoe fa-ataa-oehoe Innahum kanoe kavmen fasikina

    En Pharao haalde zijn volk tot een lichtvaardig gedrag over, en het gehoorzaamde hem; want zij waren zondaren.

  55. 55 فَلَمَّاۤ ءَاسَفُونَا ٱنتَقَمۡنَا مِنۡهُمۡ فَأَغۡرَقۡنَـٰهُمۡ أَجۡمَعِینَ

    asafoena intakamna minhoem Feagraknahum adjmein

    En toen zij onze woede hadden uitgelokt, namen wij wraak op hen

  56. 56 فَجَعَلۡنَـٰهُمۡ سَلَفࣰا وَمَثَلࣰا لِّلۡـَٔاخِرِینَ

    fadzjèlna-hoem salafan vamathalan Lil-achirien

    En wij verdronken hen allen. Wij maakten hen tot een voorbeeld, en eene waarschuwing voor anderen.

  57. 57 ۞ وَلَمَّا ضُرِبَ ٱبۡنُ مَرۡیَمَ مَثَلًا إِذَا قَوۡمُكَ مِنۡهُ یَصِدُّونَ

    welamma doe-rie-ba ibnoe Marjam mesalan ieza Qawmoek minhu jasiedoena

    Toen de zoon van Maria als een voorbeeld werd gesteld, ziet, toen schreeuwde uw volk het, door overmaat van vreugde, uit.

  58. 58 وَقَالُوۤا۟ ءَأَ ٰ⁠لِهَتُنَا خَیۡرٌ أَمۡ هُوَۚ مَا ضَرَبُوهُ لَكَ إِلَّا جَدَلَۢاۚ بَلۡ هُمۡ قَوۡمٌ خَصِمُونَ

    e a geloof Lehatoena hajroen am ma darbuhoeh laka illa djedalen hoem kavm Chasimoena

    Zij zeiden: Zijn onze goden beter dan hij, of is Maria's zoon beter dan onze goden? Zij hebben u deze vraag slechts voorgesteld, als eene aanleiding tot twist. Ja, zij zijn twistgierige menschen.

  59. 59 إِنۡ هُوَ إِلَّا عَبۡدٌ أَنۡعَمۡنَا عَلَیۡهِ وَجَعَلۡنَـٰهُ مَثَلࣰا لِّبَنِیۤ إِسۡرَ ٰ⁠ۤءِیلَ

    hoe illa abd an-amna alayhi Wadzjahlnaa liebanie Isra geloof iel

    Jezus is slechts een dienaar (een mensch), dien wij met onze gunsten overlaadden, en wij wezen hem als een voorbeeld voor de kinderen Israëls aan,

  60. 60 وَلَوۡ نَشَاۤءُ لَجَعَلۡنَا مِنكُم مَّلَـٰۤىِٕكَةࣰ فِی ٱلۡأَرۡضِ یَخۡلُفُونَ

    velau nesja ledzjelna Malaika fee Al-ard jahlufoena

    (Indien het ons behaagde, ja, waarlijk, dan konden wij uit u zelven engelen voortbrengen, om u op de aarde op te volgen).

  61. 61 وَإِنَّهُۥ لَعِلۡمࣱ لِّلسَّاعَةِ فَلَا تَمۡتَرُنَّ بِهَا وَٱتَّبِعُونِۚ هَـٰذَا صِرَ ٰ⁠طࣱ مُّسۡتَقِیمࣱ

    Wa innahoe lailm lilssaati fala tamtéroenna beha Wa ttabi'uni haza sira geloof

    En hij zal een teeken zijn van de nadering van het jongste uur; twijfelt er dus niet aan; volgt mij; dit is de ware weg.

  62. 62 وَلَا یَصُدَّنَّكُمُ ٱلشَّیۡطَـٰنُۖ إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوࣱّ مُّبِینࣱ

    jasoeddannakoem Innahoe lakum aduvvun mubien

    Laat Satan er u niet van afwenden; want hij is uw openlijke vijand.

  63. 63 وَلَمَّا جَاۤءَ عِیسَىٰ بِٱلۡبَیِّنَـٰتِ قَالَ قَدۡ جِئۡتُكُم بِٱلۡحِكۡمَةِ وَلِأُبَیِّنَ لَكُم بَعۡضَ ٱلَّذِی تَخۡتَلِفُونَ فِیهِۖ فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِیعُونِ

    welamma jaa Isa Bel-bajjienat kala Kad Djetkoem bil-hikmati Velejbina bas al-ladhie tahtalifoena fettakoea Allah waa tie oenie

    En toen Jezus met duidelijke wonderen kwam, zeide hij: Thans ben ik met wijsheid tot u gekomen, en om u een deel te verklaren van de dingen, nopens welke gij verschilt. Vreest dus God en gehoorzaamt mij.

  64. 64 إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ رَبِّی وَرَبُّكُمۡ فَٱعۡبُدُوهُۚ هَـٰذَا صِرَ ٰ⁠طࣱ مُّسۡتَقِیمࣱ

    Inna Allah hoe Wa rabbukoem fa'buduhu haza sira geloof

    Waarlijk God is mijn Heer, en uw Heer; vereert hem dus; dit is de ware weg.

  65. 65 فَٱخۡتَلَفَ ٱلۡأَحۡزَابُ مِنۢ بَیۡنِهِمۡۖ فَوَیۡلࣱ لِّلَّذِینَ ظَلَمُوا۟ مِنۡ عَذَابِ یَوۡمٍ أَلِیمٍ

    fach-telaf Al-Ahhabu bajnihim fawajl lil-lazien zalamoe azab jaum aliem

    En de verschillende partijen onder hen geraakten in twist met elkander. Maar wee over hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld, om de straf van een droevigen dag.

  66. 66 هَلۡ یَنظُرُونَ إِلَّا ٱلسَّاعَةَ أَن تَأۡتِیَهُم بَغۡتَةࣰ وَهُمۡ لَا یَشۡعُرُونَ

    hel janzuroen illa As-saaha an ta'tiyahum Wehum djasdju'ron

    Verwachten de ongeloovigen iets anders dan het uur des oordeels; dat het plotseling tot hen moge komen, terwijl zij het niet voorzien?

  67. 67 ٱلۡأَخِلَّاۤءُ یَوۡمَىِٕذِۭ بَعۡضُهُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ إِلَّا ٱلۡمُتَّقِینَ

    Al-achielaa Jawmiez ba'soem libas adoe illa Al-moettaqien

    De vertrouwdste vrienden zullen op dien dag elkanders vijanden zijn, behalve de godvruchtigen.

  68. 68 یَـٰعِبَادِ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡكُمُ ٱلۡیَوۡمَ وَلَاۤ أَنتُمۡ تَحۡزَنُونَ

    Ja ibadi chaufun aleikoem Al-jauma wela antoem tahzanun

    O mijne dienaren! er zal op dien dag geene vrees tot u komen, en gij zult niet bedroefd worden.

  69. 69 ٱلَّذِینَ ءَامَنُوا۟ بِـَٔایَـٰتِنَا وَكَانُوا۟ مُسۡلِمِینَ

    Alladhiena amenoea be-aa-ja-tie-naa waa kanoe Moslimien

    Wie in onze teekenen hebben geloofd en aan mijn wil onderworpen (Moslems) zijn geweest, tot hen zal men zeggen:

  70. 70 ٱدۡخُلُوا۟ ٱلۡجَنَّةَ أَنتُمۡ وَأَزۡوَ ٰ⁠جُكُمۡ تُحۡبَرُونَ

    oedhoeloe Al Djanna antoem Vezua geloof Djoekoem toeh-ba-roen

    Treedt gij het paradijs binnen, gij en uwe vrouwen, met groote vreugde.

  71. 71 یُطَافُ عَلَیۡهِم بِصِحَافࣲ مِّن ذَهَبࣲ وَأَكۡوَابࣲۖ وَفِیهَا مَا تَشۡتَهِیهِ ٱلۡأَنفُسُ وَتَلَذُّ ٱلۡأَعۡیُنُۖ وَأَنتُمۡ فِیهَا خَـٰلِدُونَ

    joetafoe besaf min zahab vafieha ma Tasjtahieh Vataladhoe Al-ajoeno wa-antum fieha Chalidun

    Gouden schotels zullen onder hen worden rondgedragen en bekers, en daaruit zullen zij genieten, wat hunne zielen zullen begeeren, en waarin hunne oogen vermaak zullen scheppen, en eeuwig zult gij daarin verblijven.

  72. 72 وَتِلۡكَ ٱلۡجَنَّةُ ٱلَّتِیۤ أُورِثۡتُمُوهَا بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ

    Vetelka Al Djannatoe Ooristemoecha bima ta'maloen

    Dit is het paradijs, dat gij geërfd hebt, als eene belooning voor hetgeen gij hebt verricht.

  73. 73 لَكُمۡ فِیهَا فَـٰكِهَةࣱ كَثِیرَةࣱ مِّنۡهَا تَأۡكُلُونَ

    lakum fieha faketa ta'koeloon

    Gij hebt daar vruchten in overvloed, voedt u daarmede.

  74. 74 إِنَّ ٱلۡمُجۡرِمِینَ فِی عَذَابِ جَهَنَّمَ خَـٰلِدُونَ

    Inna Al-moedjrimien fee azab Djahannam Chalidun

    Maar de zondaren zullen voor eeuwig in de marteling der hel verblijven.

  75. 75 لَا یُفَتَّرُ عَنۡهُمۡ وَهُمۡ فِیهِ مُبۡلِسُونَ

    joefettaroe anhum Wehum fieje moebliesoen

    Zij zal voor hen niet verlicht worden, en zij zullen daarin vertwijfelen.

  76. 76 وَمَا ظَلَمۡنَـٰهُمۡ وَلَـٰكِن كَانُوا۟ هُمُ ٱلظَّـٰلِمِینَ

    vama zalamnahum velakin kanoe hoem Al-dhalimien

    Wij handelden niet onrechtvaardig met hunne eigene zielen, maar zij zelven.

  77. 77 وَنَادَوۡا۟ یَـٰمَـٰلِكُ لِیَقۡضِ عَلَیۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّـٰكِثُونَ

    vanadou Jamalikoe Lejakoedi alejna kala Innakum makithoen

    Zij zullen luid roepen, zeggende: O Malek! treedt voor ons tusschen beiden, opdat uw Heer onze marteling door vernietiging doe eindigen. Hij zal antwoorden: Waarlijk, gij zult voor eeuwig hierin verblijven.

  78. 78 لَقَدۡ جِئۡنَـٰكُم بِٱلۡحَقِّ وَلَـٰكِنَّ أَكۡثَرَكُمۡ لِلۡحَقِّ كَـٰرِهُونَ

    Lakad Djenakoem bil-hakki walaakin aktharakum lil-hakki karihoena

    Wij brachten u vroeger de waarheid, maar het meerendeel uwer hadden er afschuw van.

  79. 79 أَمۡ أَبۡرَمُوۤا۟ أَمۡرࣰا فَإِنَّا مُبۡرِمُونَ

    am Abramoea amran moebriemoen

    Hebben de ongeloovigen een stelsel opgemaakt, om onzen profeet te verschalken?

  80. 80 أَمۡ یَحۡسَبُونَ أَنَّا لَا نَسۡمَعُ سِرَّهُمۡ وَنَجۡوَىٰهُمۚ بَلَىٰ وَرُسُلُنَا لَدَیۡهِمۡ یَكۡتُبُونَ

    am yeh-seh-boe-n anna nesmau serrahum Wenadzjawahoem Versoeloea ladehim jaktubun

    Verbeelden zij zich, dat wij hunne geheimen en hunne gesprekken niet hooren? Ja, en onze gezanten, die hen volgen, schrijven die neder.

  81. 81 قُلۡ إِن كَانَ لِلرَّحۡمَـٰنِ وَلَدࣱ فَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلۡعَـٰبِدِینَ

    koel in kana Lil-rahman walad Fa-ana awwalo Al-abidien

    Zeg: Indien de Barmhartige een zoon had, zou ik de eerste zijn, die hem vereerde.

  82. 82 سُبۡحَـٰنَ رَبِّ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضِ رَبِّ ٱلۡعَرۡشِ عَمَّا یَصِفُونَ

    Soebhan Rabbi As-samawa geloof te Wal ardi Rabbi Al-Arsh amma jasifoena

    Verre zij het van den Heer van hemel en aarde, den Heer des troons, datgene wat zij van hem betuigen!

  83. 83 فَذَرۡهُمۡ یَخُوضُوا۟ وَیَلۡعَبُوا۟ حَتَّىٰ یُلَـٰقُوا۟ یَوۡمَهُمُ ٱلَّذِی یُوعَدُونَ

    fadhroehum jachoedoe vajl'aboe hata jelaqou jau-ma-hoem al-ladhie juoadoenoen

    Laat hen dus door ijdelheid waden, en zich vermaken, tot zij aan hunnen dag komen, waarmede zij werden bedreigd.

  84. 84 وَهُوَ ٱلَّذِی فِی ٱلسَّمَاۤءِ إِلَـٰهࣱ وَفِی ٱلۡأَرۡضِ إِلَـٰهࣱۚ وَهُوَ ٱلۡحَكِیمُ ٱلۡعَلِیمُ

    Wahoea al-ladhie fee As-samaa Ilaah Vafi Al-ard Wahoea Al-Hakiem Al-'Aliem

    Hij, die de God in den hemel is, is ook God op aarde, en hij is de Wijze, de Alwetende.

  85. 85 وَتَبَارَكَ ٱلَّذِی لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَـٰوَ ٰ⁠تِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَیۡنَهُمَا وَعِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَإِلَیۡهِ تُرۡجَعُونَ

    Wa tabaraka al-ladhie Moelkoe As-samawa geloof te Wal ardi vama bajnahoema wa indahoe Ilmoe As-sa'a Wa ilayhi toeradjaoenoe

    Gezegend zij hij, wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort en alles wat daartusschen is, met wien de kennis van het laatste uur is, en voor wien gij zult worden verzameld.

  86. 86 وَلَا یَمۡلِكُ ٱلَّذِینَ یَدۡعُونَ مِن دُونِهِ ٱلشَّفَـٰعَةَ إِلَّا مَن شَهِدَ بِٱلۡحَقِّ وَهُمۡ یَعۡلَمُونَ

    jamlikoe Alladhiena jad'oen min Ash-shafaa'ah illa men sjehied bil-hakki Wehum ja'lamoen

    Degenen, welke zij nevens God aanroepen, hebben het voorrecht niet, anderen tot voorspraak te strekken, behalve zij, die getuigenis der waarheid afleggen en haar kennen.

  87. 87 وَلَىِٕن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَهُمۡ لَیَقُولُنَّ ٱللَّهُۖ فَأَنَّىٰ یُؤۡفَكُونَ

    Vallain saaltahum chalaakoem lajkoeloelonna Fa anna joefkoen

    Indien gij hun vraagt, wie hen heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Waarom zijn zij dus tot de vereering van anderen afgewend?

  88. 88 وَقِیلِهِۦ یَـٰرَبِّ إِنَّ هَـٰۤؤُلَاۤءِ قَوۡمࣱ لَّا یُؤۡمِنُونَ

    Wakieliehie Ja rabbi Inna ha-oelaa-i kavm la joemienoen

    God hoorde ook, toen de profeet zeide: O Heer! waarlijk, deze zijn ongeloovigen, en hij antwoordde:

  89. 89 فَٱصۡفَحۡ عَنۡهُمۡ وَقُلۡ سَلَـٰمࣱۚ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُونَ

    fasfah anhum wa koel fesof ja'lamoen

    Wend dus van hen af en zeg: Vrede!--Hierna zullen zij hunne dwaling kennen.

This surah in other languages