Goddestination

Adh-Dhaariyat

Adh-Dhaariyaat

De Verspreidenden

60 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 وَٱلذَّ ٰ⁠رِیَـٰتِ ذَرۡوࣰا

    Wal dha geloof Rejat dharun

    Bij de winden, die het stof verspreiden en verstrooien.

  2. 2 فَٱلۡحَـٰمِلَـٰتِ وِقۡرࣰا

    Falhamilati Wekra

    En bij de wolken, die een last van regen dragen;

  3. 3 فَٱلۡجَـٰرِیَـٰتِ یُسۡرࣰا

    Fal-djaarijaat Joesra

    Bij de schepen, die de zee snel doorklieven.

  4. 4 فَٱلۡمُقَسِّمَـٰتِ أَمۡرًا

    Falmoeqassimat amran

    En bij de engelen, die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen

  5. 5 إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَصَادِقࣱ

    toea'adoenon Lasadiek

    Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is zekerlijk waar,

  6. 6 وَإِنَّ ٱلدِّینَ لَوَ ٰ⁠قِعࣱ

    wa inna Ad-Dien lava geloof Kaf

    En het laatste oordeel zal gewis komen.

  7. 7 وَٱلسَّمَاۤءِ ذَاتِ ٱلۡحُبُكِ

    Wes-samaa zat Al-Hoeboeki

    Bij den hemel met paden voorzien.

  8. 8 إِنَّكُمۡ لَفِی قَوۡلࣲ مُّخۡتَلِفࣲ

    Lafie kawl moechtalief

    Gij verschilt zeer in hetgeen gij zegt.

  9. 9 یُؤۡفَكُ عَنۡهُ مَنۡ أُفِكَ

    joefkoe anhu ufik

    Men zal zich afwenden van dengeen, die van het ware geloof is afgekeerd!

  10. 10 قُتِلَ ٱلۡخَرَّ ٰ⁠صُونَ

    koetila Al-Charra geloof soena

    Vervloekt mogen de leugenaars zijn.

  11. 11 ٱلَّذِینَ هُمۡ فِی غَمۡرَةࣲ سَاهُونَ

    Alladhiena hoem fee ghamra sahoen

    Die in diepe wateren van onwetendheid waden, terwijl zij hun heil verwaarloozen.

  12. 12 یَسۡـَٔلُونَ أَیَّانَ یَوۡمُ ٱلدِّینِ

    jesseloe-na ajjan jaum ed-Dien

    Zij vragen: Wanneer zal de dag des oordeels komen?

  13. 13 یَوۡمَ هُمۡ عَلَى ٱلنَّارِ یُفۡتَنُونَ

    jaum hoem allai An-nar joefetanoen

    Op dien dag zullen zij in het hellevuur verbrand worden.

  14. 14 ذُوقُوا۟ فِتۡنَتَكُمۡ هَـٰذَا ٱلَّذِی كُنتُم بِهِۦ تَسۡتَعۡجِلُونَ

    thoe-koe fitnetoekoem haza al-ladhie koentoem behi tastağhilune

    En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf; dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden.

  15. 15 إِنَّ ٱلۡمُتَّقِینَ فِی جَنَّـٰتࣲ وَعُیُونٍ

    Inna Al-moettaqien fee va'joenin

    Maar de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen.

  16. 16 ءَاخِذِینَ مَاۤ ءَاتَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡۚ إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ قَبۡلَ ذَ ٰ⁠لِكَ مُحۡسِنِینَ

    achiedziena atahoem Innahum kanoe kibla dha geloof leka moehsinien

    Datgene ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vóór dezen dag rechtvaardigen waren.

  17. 17 كَانُوا۟ قَلِیلࣰا مِّنَ ٱلَّیۡلِ مَا یَهۡجَعُونَ

    kanoe kalielan min Al-layl ma yehdzja'oenoe

    Zij slapen slechts gedurende een klein gedeelte van den nacht.

  18. 18 وَبِٱلۡأَسۡحَارِ هُمۡ یَسۡتَغۡفِرُونَ

    Vebël-ashari hoem jastagfiroen

    En vroeg in den ochtend vragen zij vergiffenis van God.

  19. 19 وَفِیۤ أَمۡوَ ٰ⁠لِهِمۡ حَقࣱّ لِّلسَّاۤىِٕلِ وَٱلۡمَحۡرُومِ

    amwa geloof Lehim Hak lilsaail wal mahroemi

    Een voegzaam deel van hunne welvaart werd hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden werd te vragen.

  20. 20 وَفِی ٱلۡأَرۡضِ ءَایَـٰتࣱ لِّلۡمُوقِنِینَ

    Vafi Al-ard ajaat lil-moekienien

    Er zijn teekenen van goddelijke macht en goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip.

  21. 21 وَفِیۤ أَنفُسِكُمۡۚ أَفَلَا تُبۡصِرُونَ

    a-fa-laa toebsieroen

    Ook in u zelven: zult gij dus niet overwegen?

  22. 22 وَفِی ٱلسَّمَاۤءِ رِزۡقُكُمۡ وَمَا تُوعَدُونَ

    Vafi As-samaa rizkoekoem vama toea'adoenon

    Uw onderhoud is in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd.

  23. 23 فَوَرَبِّ ٱلسَّمَاۤءِ وَٱلۡأَرۡضِ إِنَّهُۥ لَحَقࣱّ مِّثۡلَ مَاۤ أَنَّكُمۡ تَنطِقُونَ

    Fovarabi As-samaa Wal ardi Innahoe lahak mithla anakoem tantikoenon

    Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf zegt.

  24. 24 هَلۡ أَتَىٰكَ حَدِیثُ ضَیۡفِ إِبۡرَ ٰ⁠هِیمَ ٱلۡمُكۡرَمِینَ

    hel Atiaka Hadith zejf Ibra geloof hejma Al-moekramien

    Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten niet tot uwe kennis gekomen?

  25. 25 إِذۡ دَخَلُوا۟ عَلَیۡهِ فَقَالُوا۟ سَلَـٰمࣰاۖ قَالَ سَلَـٰمࣱ قَوۡمࣱ مُّنكَرُونَ

    iez dach-loe alayhi kala salam kavm moenkaroen

    Toen zij tot hem ingingen en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende: Dit zijn onbekende menschen.

  26. 26 فَرَاغَ إِلَىٰۤ أَهۡلِهِۦ فَجَاۤءَ بِعِجۡلࣲ سَمِینࣲ

    faraga ahlihi fadjaa bi'dzjil samin

    En hij ging heimelijk tot zijn gezin, en bracht een gemest kalf.

  27. 27 فَقَرَّبَهُۥۤ إِلَیۡهِمۡ قَالَ أَلَا تَأۡكُلُونَ

    Faqqarbahoe kala ta'koeloon

    Hij zette het voor hen neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij: Eet gij niet?

  28. 28 فَأَوۡجَسَ مِنۡهُمۡ خِیفَةࣰۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفۡۖ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَـٰمٍ عَلِیمࣲ

    faowdjasa minhoem haifa Tachaf oea basj-sjar-oehoe Begulam

    En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij zeiden: Vrees niet, en zij verklaarden hem de belofte van een wijzen zoon.

  29. 29 فَأَقۡبَلَتِ ٱمۡرَأَتُهُۥ فِی صَرَّةࣲ فَصَكَّتۡ وَجۡهَهَا وَقَالَتۡ عَجُوزٌ عَقِیمࣱ

    fakbalet imraathu fee sarra fasakkat Wadjhaha waa kaalet adjoez akiem

    Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil, sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en onvruchtbaar!

  30. 30 قَالُوا۟ كَذَ ٰ⁠لِكِ قَالَ رَبُّكِۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡحَكِیمُ ٱلۡعَلِیمُ

    kaza geloof leke kala Rabboeki Innahoe hoe Al-Hakiem Al-'Aliem

    De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk, hij is de Wijze, de Alwetende.

  31. 31 ۞ قَالَ فَمَا خَطۡبُكُمۡ أَیُّهَا ٱلۡمُرۡسَلُونَ

    kala fama Chatboekoem aijuha Al-moersaloen

    En Abraham zeide tot hen: wat is dus uwe boodschap, o gezanten van God?

  32. 32 قَالُوۤا۟ إِنَّاۤ أُرۡسِلۡنَاۤ إِلَىٰ قَوۡمࣲ مُّجۡرِمِینَ

    Kaloe Inna oersielna iela moedzjrimien

    Zij antwoordden: waarlijk, wij worden tot een zondig volk gezonden.

  33. 33 لِنُرۡسِلَ عَلَیۡهِمۡ حِجَارَةࣰ مِّن طِینࣲ

    Lenursila alayhim hidjara min Tien

    Opdat wij steenen van gebakken klei op hen zouden nederzenden.

  34. 34 مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلۡمُسۡرِفِینَ

    moesawwamah enda Rabbi-k lil-moesrifien

    Gemerkt door uwen Heer, ter verdelging der zondaren.

  35. 35 فَأَخۡرَجۡنَا مَن كَانَ فِیهَا مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِینَ

    fa-ahkh-na men kana fieha mina Al-moe'minien

    En wij telden de ware geloovigen, die in de stad waren.

  36. 36 فَمَا وَجَدۡنَا فِیهَا غَیۡرَ بَیۡتࣲ مِّنَ ٱلۡمُسۡلِمِینَ

    fama Wadjdna fieha Ghajra bejt min Al-Muslimien

    Maar wij vonden niet meer, dan één gezin van Moslems.

  37. 37 وَتَرَكۡنَا فِیهَاۤ ءَایَةࣰ لِّلَّذِینَ یَخَافُونَ ٱلۡعَذَابَ ٱلۡأَلِیمَ

    watarakna Aya lil-lazien jacha-foena Al-azaab Aliem

    Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar, voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen.

  38. 38 وَفِی مُوسَىٰۤ إِذۡ أَرۡسَلۡنَـٰهُ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ بِسُلۡطَـٰنࣲ مُّبِینࣲ

    Vafi Moesa iez Arselnah iela Fir'aun Bisoeltan

    In Mozes was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao zond.

  39. 39 فَتَوَلَّىٰ بِرُكۡنِهِۦ وَقَالَ سَـٰحِرٌ أَوۡ مَجۡنُونࣱ

    fataualla Biroknihi wa kala sahier au medzjoen

    Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze man is een toovenaar of een bezetene.

  40. 40 فَأَخَذۡنَـٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذۡنَـٰهُمۡ فِی ٱلۡیَمِّ وَهُوَ مُلِیمࣱ

    Fa-ahazhna wadjoenoedahoe fanabizjnahoem fee Al-Djamm Wahoea Moelejm

    Daarom grepen wij hem en zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te worden.

  41. 41 وَفِی عَادٍ إِذۡ أَرۡسَلۡنَا عَلَیۡهِمُ ٱلرِّیحَ ٱلۡعَقِیمَ

    Vafi adin iez alejhiemoe Ar-rieha Al-Aqiem

    En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een verwoestenden wind tegen hen zonden.

  42. 42 مَا تَذَرُ مِن شَیۡءٍ أَتَتۡ عَلَیۡهِ إِلَّا جَعَلَتۡهُ كَٱلرَّمِیمِ

    ma tazaroe min sjei atet alayhi illa dja'a-lat-hoe karlarmimi

    Die niets aanraakte, waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp, en maakte het tot stof.

  43. 43 وَفِی ثَمُودَ إِذۡ قِیلَ لَهُمۡ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِینࣲ

    Vafi samoeda iez Kiela lahum tamatta'oe hata

    In Thamoed was eveneens een teeken toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd.

  44. 44 فَعَتَوۡا۟ عَنۡ أَمۡرِ رَبِّهِمۡ فَأَخَذَتۡهُمُ ٱلصَّـٰعِقَةُ وَهُمۡ یَنظُرُونَ

    fa'ato amri Rabbiem Feahazethoem As-Saa-iqah Wehum janzuroen

    Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij daarheen blikten.

  45. 45 فَمَا ٱسۡتَطَـٰعُوا۟ مِن قِیَامࣲ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِینَ

    fama istatau min kijam vama kanoe Muntasiriena

    Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan, evenmin als zij zich van de verdediging konden redden.

  46. 46 وَقَوۡمَ نُوحࣲ مِّن قَبۡلُۖ إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ قَوۡمࣰا فَـٰسِقِینَ

    Wakom min Innahum kanoe kavmen fasikina

    En het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk, dat vreeselijk zondigde.

  47. 47 وَٱلسَّمَاۤءَ بَنَیۡنَـٰهَا بِأَیۡی۟دࣲ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ

    Wes-sama banēnahā bejjed wa-inna lamoesiëun

    Wij hebben den hemel met macht gebouwd, en dien eene groote uitgebreidheid gegeven.

  48. 48 وَٱلۡأَرۡضَ فَرَشۡنَـٰهَا فَنِعۡمَ ٱلۡمَـٰهِدُونَ

    Wal-ard Farshnahā fanim Al-Mahidoen

    Wij hebben de aarde daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan.

  49. 49 وَمِن كُلِّ شَیۡءٍ خَلَقۡنَا زَوۡجَیۡنِ لَعَلَّكُمۡ تَذَكَّرُونَ

    vamin koellie sjei chalaqna zevdzejnie la'alkoem tazakkaroena

    En van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen, opdat gij wellicht zoudt overwegen.

  50. 50 فَفِرُّوۤا۟ إِلَى ٱللَّهِۖ إِنِّی لَكُم مِّنۡهُ نَذِیرࣱ مُّبِینࣱ

    fafirroe-a ielè Innie Nazier mubien

    Vlucht dus tot God; waarlijk, ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u.

  51. 51 وَلَا تَجۡعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَـٰهًا ءَاخَرَۖ إِنِّی لَكُم مِّنۡهُ نَذِیرࣱ مُّبِینࣱ

    tedzjalloe ma'a Allah ielahan ah-har Innie Nazier mubien

    Aanbidt geene andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn naam

  52. 52 كَذَ ٰ⁠لِكَ مَاۤ أَتَى ٱلَّذِینَ مِن قَبۡلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوۡ مَجۡنُونٌ

    kaza geloof leka ata Alladhiena min min rassoelin illa sahier au Madjnoen

    Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene.

  53. 53 أَتَوَاصَوۡا۟ بِهِۦۚ بَلۡ هُمۡ قَوۡمࣱ طَاغُونَ

    atawasau hoem kavm tagoen

    Hebben zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij zondigen vreeselijk.

  54. 54 فَتَوَلَّ عَنۡهُمۡ فَمَاۤ أَنتَ بِمَلُومࣲ

    fetaŭella anhum anta bemaloem

    Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van blaam zijn, indien gij aldus handelt.

  55. 55 وَذَكِّرۡ فَإِنَّ ٱلذِّكۡرَىٰ تَنفَعُ ٱلۡمُؤۡمِنِینَ

    Vezkkier Feinna Adh-Dhikra tanfeu Al-moe'minien

    Maar ga voort met vermanen; want vermaning is den waren geloovigen van voordeel.

  56. 56 وَمَا خَلَقۡتُ ٱلۡجِنَّ وَٱلۡإِنسَ إِلَّا لِیَعۡبُدُونِ

    vama chalaktoe Al-Djinn Wal-insa illa lejaboeni

    Ik heb de geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij mij zouden dienen.

  57. 57 مَاۤ أُرِیدُ مِنۡهُم مِّن رِّزۡقࣲ وَمَاۤ أُرِیدُ أَن یُطۡعِمُونِ

    oeriedoe min rizk oeriedoe an joetiemoen

    Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin verlang ik, dat zij mij zullen voeden.

  58. 58 إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلۡقُوَّةِ ٱلۡمَتِینُ

    Inna Allah hoe Ar-Razzakoe zu Al-koewatie Al-Matien

    Waarlijk, God is degene, die alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit.

  59. 59 فَإِنَّ لِلَّذِینَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبࣰا مِّثۡلَ ذَنُوبِ أَصۡحَـٰبِهِمۡ فَلَا یَسۡتَعۡجِلُونِ

    Feinna lel-laa-dzien zalamoe zanoeban mithla zanoebie Ashabihem fala jesta'dzjieloenie

    Aan hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde.

  60. 60 فَوَیۡلࣱ لِّلَّذِینَ كَفَرُوا۟ مِن یَوۡمِهِمُ ٱلَّذِی یُوعَدُونَ

    fawajl lil-lazien kafaroewa min jauw-mi-him al-ladhie juoadoenoen

    Wee dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd!

This surah in other languages