Qaaf
Qaaf
Qaaf
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ
Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim
- 1 قۤۚ وَٱلۡقُرۡءَانِ ٱلۡمَجِیدِ
Kaf Wal Koer'an Al-Madjied
Kaf Bij den glorierijken Koran;
- 2 بَلۡ عَجِبُوۤا۟ أَن جَاۤءَهُم مُّنذِرࣱ مِّنۡهُمۡ فَقَالَ ٱلۡكَـٰفِرُونَ هَـٰذَا شَیۡءٌ عَجِیبٌ
adjieboea an Djaa-hoem Moenzier minhum fakala Al-Kafiroen haza sjejn adjieb
Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.
- 3 أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابࣰاۖ ذَ ٰلِكَ رَجۡعُۢ بَعِیدࣱ
a-ieza Metna oe koenna dha geloof leka radzju ba-id
Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.
- 4 قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنقُصُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۡهُمۡۖ وَعِندَنَا كِتَـٰبٌ حَفِیظُۢ
Kad alimna ma tenkoepoe Al-ard wa ed na kitabun Hafiz
Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.
- 5 بَلۡ كَذَّبُوا۟ بِٱلۡحَقِّ لَمَّا جَاۤءَهُمۡ فَهُمۡ فِیۤ أَمۡرࣲ مَّرِیجٍ
kezzaboe bil-hakki Lama amr Meriedzjin
Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tot hen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort
- 6 أَفَلَمۡ یَنظُرُوۤا۟ إِلَى ٱلسَّمَاۤءِ فَوۡقَهُمۡ كَیۡفَ بَنَیۡنَـٰهَا وَزَیَّنَّـٰهَا وَمَا لَهَا مِن فُرُوجࣲ
A falem janzuroe ielè As-samaa faukahum kajfa banēnahā vazajjennaha vama laha min furozh
Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?
- 7 وَٱلۡأَرۡضَ مَدَدۡنَـٰهَا وَأَلۡقَیۡنَا فِیهَا رَوَ ٰسِیَ وَأَنۢبَتۡنَا فِیهَا مِن كُلِّ زَوۡجِۭ بَهِیجࣲ
Wal-ard madnaha Wa alkajna fieha roa geloof seja en Wij deden ontspruiten fieha min koellie zawdj behiedzj
Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.
- 8 تَبۡصِرَةࣰ وَذِكۡرَىٰ لِكُلِّ عَبۡدࣲ مُّنِیبࣲ
tabsira Vezhiekra le koel abd moeniebien
Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.
- 9 وَنَزَّلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَاۤءِ مَاۤءࣰ مُّبَـٰرَكࣰا فَأَنۢبَتۡنَا بِهِۦ جَنَّـٰتࣲ وَحَبَّ ٱلۡحَصِیدِ
Wa nazzalna mina As-samaa ma moebarak fa-anbtnā behi Vahabba Al-Hasiedie
En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.
- 10 وَٱلنَّخۡلَ بَاسِقَـٰتࣲ لَّهَا طَلۡعࣱ نَّضِیدࣱ
Val-nachla basikat llaha tla'un nazied
En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.
- 11 رِّزۡقࣰا لِّلۡعِبَادِۖ وَأَحۡیَیۡنَا بِهِۦ بَلۡدَةࣰ مَّیۡتࣰاۚ كَذَ ٰلِكَ ٱلۡخُرُوجُ
rizk lil-ibad Oea-ahja-iena behi balda mejt kaza geloof leka Al-choeroedjoe
Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.
- 12 كَذَّبَتۡ قَبۡلَهُمۡ قَوۡمُ نُوحࣲ وَأَصۡحَـٰبُ ٱلرَّسِّ وَثَمُودُ
kazabath kablehoem kavm Wa ashaab Ar-ras thamoed
Het volk van Noach, en zij die te Al Rass woonden, en Thamoed en Ad en Pharao beschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners van Mekka.
- 13 وَعَادࣱ وَفِرۡعَوۡنُ وَإِخۡوَ ٰنُ لُوطࣲ
wa'ad Farao Wa ichwa geloof nu
Alsmede de broeders van Loth
- 14 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡأَیۡكَةِ وَقَوۡمُ تُبَّعࣲۚ كُلࣱّ كَذَّبَ ٱلرُّسُلَ فَحَقَّ وَعِیدِ
Wa ashaab Al-Aykati Wakoum Toebbae Koel kazzaba Al-roesoel fahak waied
En de bewoners van het woud nabij Midian en het volk van Tobba; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.
- 15 أَفَعَیِینَا بِٱلۡخَلۡقِ ٱلۡأَوَّلِۚ بَلۡ هُمۡ فِی لَبۡسࣲ مِّنۡ خَلۡقࣲ جَدِیدࣲ
Afajiena bil chalqi Al-awwali hoem fee labs chalk dzjiedied
Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.
- 16 وَلَقَدۡ خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَـٰنَ وَنَعۡلَمُ مَا تُوَسۡوِسُ بِهِۦ نَفۡسُهُۥۖ وَنَحۡنُ أَقۡرَبُ إِلَیۡهِ مِنۡ حَبۡلِ ٱلۡوَرِیدِ
Vuh-lakd chalaqna Al-insan vëna'lmu ma touswiesoe behi Nafsoe-hoe Wa nahnoe akrabu ilayhi habl Al-Waried
Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.
- 17 إِذۡ یَتَلَقَّى ٱلۡمُتَلَقِّیَانِ عَنِ ٱلۡیَمِینِ وَعَنِ ٱلشِّمَالِ قَعِیدࣱ
iez jetalakka Al-moetalakkian ane Al-Jamien van Ash-Shimaali ka'ied
Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.
- 18 مَّا یَلۡفِظُ مِن قَوۡلٍ إِلَّا لَدَیۡهِ رَقِیبٌ عَتِیدࣱ
maa jalfizoe min kawl illa ladejhi rakieboen ateed
Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven.
- 19 وَجَاۤءَتۡ سَكۡرَةُ ٱلۡمَوۡتِ بِٱلۡحَقِّۖ ذَ ٰلِكَ مَا كُنتَ مِنۡهُ تَحِیدُ
wadzjaat sakratoe Al maut dha geloof leka ma konta minhu tahied
En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt te ontgaan.
- 20 وَنُفِخَ فِی ٱلصُّورِۚ ذَ ٰلِكَ یَوۡمُ ٱلۡوَعِیدِ
Vanufekha fee dha geloof leka jaum Al-Wa-ied
En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.
- 21 وَجَاۤءَتۡ كُلُّ نَفۡسࣲ مَّعَهَا سَاۤىِٕقࣱ وَشَهِیدࣱ
wadzjaat koel-loe nefs ma'aha saa-iek Wesjehied
En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.
- 22 لَّقَدۡ كُنتَ فِی غَفۡلَةࣲ مِّنۡ هَـٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَاۤءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡیَوۡمَ حَدِیدࣱ
Lakad konta fee ghafla haza fakasjfna anak ghitaaka febasaroek Al-jauma Hedied
En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.
- 23 وَقَالَ قَرِینُهُۥ هَـٰذَا مَا لَدَیَّ عَتِیدٌ
wa kala Kareenoehoe haza ma ladajja ateedun
En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.
- 24 أَلۡقِیَا فِی جَهَنَّمَ كُلَّ كَفَّارٍ عَنِیدࣲ
Al-kia fee Djahannam koella Kaffar anied
En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.
- 25 مَّنَّاعࣲ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدࣲ مُّرِیبٍ
mana lil-chajr moet'ed moeriebien
En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;
- 26 ٱلَّذِی جَعَلَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَـٰهًا ءَاخَرَ فَأَلۡقِیَاهُ فِی ٱلۡعَذَابِ ٱلشَّدِیدِ
al-ladhie djaala ma'a Allah ielahan Fa'lkijah fee Al-azabie Ash-Shadied
Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.
- 27 ۞ قَالَ قَرِینُهُۥ رَبَّنَا مَاۤ أَطۡغَیۡتُهُۥ وَلَـٰكِن كَانَ فِی ضَلَـٰلِۭ بَعِیدࣲ
kala Kareenoehoe Atghaytoehoe velakin kana fee dalal
Zijn makker zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling.
- 28 قَالَ لَا تَخۡتَصِمُوا۟ لَدَیَّ وَقَدۡ قَدَّمۡتُ إِلَیۡكُم بِٱلۡوَعِیدِ
kala tahtasipmoe ladajja Wakid kadamtoe Bilwajiedie
God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.
- 29 مَا یُبَدَّلُ ٱلۡقَوۡلُ لَدَیَّ وَمَاۤ أَنَا۠ بِظَلَّـٰمࣲ لِّلۡعَبِیدِ
ma joebaddaloe Al kawloe ladajja ana bezallam lil-'abied
Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.
- 30 یَوۡمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ ٱمۡتَلَأۡتِ وَتَقُولُ هَلۡ مِن مَّزِیدࣲ
jaum Le djehennem hal imtela'ti wetaqoeloe hel min mazied
Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden?
- 31 وَأُزۡلِفَتِ ٱلۡجَنَّةُ لِلۡمُتَّقِینَ غَیۡرَ بَعِیدٍ
Wa oe zliefat Al Djannatoe lil-moettaqien Ghajra ba'ied
En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.
- 32 هَـٰذَا مَا تُوعَدُونَ لِكُلِّ أَوَّابٍ حَفِیظࣲ
haza ma toea'adoenon le koel awwabin Hafiz
En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;
- 33 مَّنۡ خَشِیَ ٱلرَّحۡمَـٰنَ بِٱلۡغَیۡبِ وَجَاۤءَ بِقَلۡبࣲ مُّنِیبٍ
chasjia Ar-Rahman bilghaibi wadjaa bekalb moeniebien
Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.
- 34 ٱدۡخُلُوهَا بِسَلَـٰمࣲۖ ذَ ٰلِكَ یَوۡمُ ٱلۡخُلُودِ
oedhoeloehaa Bisalaam dha geloof leka jaum Al-choeloed
Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.
- 35 لَهُم مَّا یَشَاۤءُونَ فِیهَا وَلَدَیۡنَا مَزِیدࣱ
maa djasdjaa'uun fieha Waladeina mazied
Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.
- 36 وَكَمۡ أَهۡلَكۡنَا قَبۡلَهُم مِّن قَرۡنٍ هُمۡ أَشَدُّ مِنۡهُم بَطۡشࣰا فَنَقَّبُوا۟ فِی ٱلۡبِلَـٰدِ هَلۡ مِن مَّحِیصٍ
min karn hoem a-sjed-doe batsj fanakboe fee Al-biladi hel min mahies
Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners van Mekka verdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.
- 37 إِنَّ فِی ذَ ٰلِكَ لَذِكۡرَىٰ لِمَن كَانَ لَهُۥ قَلۡبٌ أَوۡ أَلۡقَى ٱلسَّمۡعَ وَهُوَ شَهِیدࣱ
Inna fee dha geloof leka Laziekra kana kalb au al-ka-ja As-sam'a Wahoea Sjahied
Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.
- 38 وَلَقَدۡ خَلَقۡنَا ٱلسَّمَـٰوَ ٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَیۡنَهُمَا فِی سِتَّةِ أَیَّامࣲ وَمَا مَسَّنَا مِن لُّغُوبࣲ
Vuh-lakd chalaqna As-samawa geloof te Wal-ard vama bajnahoema fee setta ayyam vama masana min loegoe b
Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons.
- 39 فَٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا یَقُولُونَ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ قَبۡلَ طُلُوعِ ٱلشَّمۡسِ وَقَبۡلَ ٱلۡغُرُوبِ
fasbir Ala ma jaqoeloen wa sabbiḥ beh-hahm-dee Rabbi-k kibla teloewie Ash-sjamsi Wakabal al-ghoeroeb
Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.
- 40 وَمِنَ ٱلَّیۡلِ فَسَبِّحۡهُ وَأَدۡبَـٰرَ ٱلسُّجُودِ
vomen Al-layl Fesabbiehoeh wa adbara As-soedjoedie
Prijs hem in een gedeelte van den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering.
- 41 وَٱسۡتَمِعۡ یَوۡمَ یُنَادِ ٱلۡمُنَادِ مِن مَّكَانࣲ قَرِیبࣲ
Vastam jaum Junade Almoenadie min makan Karieb
Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen.
- 42 یَوۡمَ یَسۡمَعُونَ ٱلصَّیۡحَةَ بِٱلۡحَقِّۚ ذَ ٰلِكَ یَوۡمُ ٱلۡخُرُوجِ
jaum jesma'oen As-sayha dha geloof leka jaum Al-choeroedj
De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.
- 43 إِنَّا نَحۡنُ نُحۡیِۦ وَنُمِیتُ وَإِلَیۡنَا ٱلۡمَصِیرُ
nahnoe Noehie Unemitu wa-ilaynaa Almasieroe
Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.
- 44 یَوۡمَ تَشَقَّقُ ٱلۡأَرۡضُ عَنۡهُمۡ سِرَاعࣰاۚ ذَ ٰلِكَ حَشۡرٌ عَلَیۡنَا یَسِیرࣱ
jaum tasjakkoekoe Al-ard anhum dha geloof leka hasjr alejna
De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.
- 45 نَّحۡنُ أَعۡلَمُ بِمَا یَقُولُونَۖ وَمَاۤ أَنتَ عَلَیۡهِم بِجَبَّارࣲۖ فَذَكِّرۡ بِٱلۡقُرۡءَانِ مَن یَخَافُ وَعِیدِ
Nahnoe a'lamu bima anta Bechabbar fezkir Bil-Qur'an men jachaafoe waied
Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen. Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.
This surah in other languages
- বাংলা ক্বাফ
- Bosanski Kaf
- Нохчийн Къаф
- Deutsch Qāf
- English Qaf
- Español Qaf
- فارسی قاف
- Français Qâf
- Hausa Qaaf
- עברית קאף
- हिन्दी क़ाफ़
- Bahasa Indonesia Qaf
- 日本語 カーふ
- 한국어 까프
- کوردی Qaf
- Bahasa Melayu Qaf
- Nederlands Qaaf
- پنجابی قاف
- ਪੰਜਾਬੀ ਕ਼ਾਫ਼
- پښتو قاف
- Português Cáf
- Русский Каф
- Soomaaliga Qaaf
- Shqip Kaf
- Kiswahili Qaaf
- தமிழ் காஃப்
- ไทย กอฟ
- Türkçe Kaf
- اردو قاف
- Oʻzbek Қоф
- 中文 戛弗