Goddestination

An-Naazi'aat

An-Naziat

De Ontrukkingen

46 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 وَٱلنَّـٰزِعَـٰتِ غَرۡقࣰا

    Wal-nazieat ghark

    (Ik zweer) bij de engelen, die de zielen van sommigen met geweld uitscheuren.

  2. 2 وَٱلنَّـٰشِطَـٰتِ نَشۡطࣰا

    Walnasjitat nesjtan

    En bij hen, die de zielen van anderen met zachtheid verwijderen.

  3. 3 وَٱلسَّـٰبِحَـٰتِ سَبۡحࣰا

    Wal-saabiehat sabhan

    Bij hen, die al zwemmende, met de bevelen van God (door de lucht) voortglijden;

  4. 4 فَٱلسَّـٰبِقَـٰتِ سَبۡقࣰا

    Falsabikati sabkan

    Bij hen, die den rechtvaardige naar het paradijs voorafgaan en leiden.

  5. 5 فَٱلۡمُدَبِّرَ ٰ⁠تِ أَمۡرࣰا

    Fal moedabbiro geloof te amran

    En die als ondergeschikten de zaken van deze wereld leiden.

  6. 6 یَوۡمَ تَرۡجُفُ ٱلرَّاجِفَةُ

    jaum terdjoefoe Ar-radjie-fah

    Op een zekeren dag zal de benarrende klank der trompet het heelal verontrusten:

  7. 7 تَتۡبَعُهَا ٱلرَّادِفَةُ

    tetbeauha Ar-radifatoe

    En een tweede klank zal daarop volgen.

  8. 8 قُلُوبࣱ یَوۡمَىِٕذࣲ وَاجِفَةٌ

    koeloeb jomiz wadjiefa

    Op dien dag zullen de harten der menschen beven;

  9. 9 أَبۡصَـٰرُهَا خَـٰشِعَةࣱ

    absaroecha chasjia

    Zij zullen hunne oogen nederslaan.

  10. 10 یَقُولُونَ أَءِنَّا لَمَرۡدُودُونَ فِی ٱلۡحَافِرَةِ

    jaqoeloen A inna l-mar-doe-oo-doen fee Al-Hafira

    De ongeloovigen zeggen: Zal men ons zekerlijk daarheen doen terugkeeren, van waar wij kwamen?

  11. 11 أَءِذَا كُنَّا عِظَـٰمࣰا نَّخِرَةࣰ

    a-ieza konna izaman Nachira

    Nadat wij verrotte beenderen zijn geworden, zullen wij dan weder tot het leven worden opgewekt?

  12. 12 قَالُوا۟ تِلۡكَ إِذࣰا كَرَّةٌ خَاسِرَةࣱ

    telka ieza karrah hasiratun

    Zij zeggen: waarlijk deze opstanding is hersenschimming.

  13. 13 فَإِنَّمَا هِیَ زَجۡرَةࣱ وَ ٰ⁠حِدَةࣱ

    Fa-innama heja zjadgrah en geloof heda

    Waarlijk, de trompet zal zich slechts eenmaal doen hooren.

  14. 14 فَإِذَا هُم بِٱلسَّاهِرَةِ

    feidha Belsahira

    En ziet, zij zullen levend op de oppervlakte der aarde verschijnen.

  15. 15 هَلۡ أَتَىٰكَ حَدِیثُ مُوسَىٰۤ

    hel Atiaka Hadith Moesa

    Heeft het verhaal van Mozes u niet bereikt.

  16. 16 إِذۡ نَادَىٰهُ رَبُّهُۥ بِٱلۡوَادِ ٱلۡمُقَدَّسِ طُوًى

    iez nadiahoe Rabboehoe bil-vadi Al-Moekaddasi toewie

    Toen zijn Heer in de heilige vallei Toewa hem toeriep;

  17. 17 ٱذۡهَبۡ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ

    izhab iela Fir'aun Innahoe Tagja

    Zeggende: Ga tot Pharao; want hij is op eene onbeschaamde wijze zondig.

  18. 18 فَقُلۡ هَل لَّكَ إِلَىٰۤ أَن تَزَكَّىٰ

    Fakul laka an tazakka

    En zeg: Begeert gij rechtvaardig en heilig te worden?

  19. 19 وَأَهۡدِیَكَ إِلَىٰ رَبِّكَ فَتَخۡشَىٰ

    Wehdieka iela Rabbi-k fatahsha

    Ik wil u tot uwen Heer leiden, opdat gij moogt vreezen te zondigen.

  20. 20 فَأَرَىٰهُ ٱلۡـَٔایَةَ ٱلۡكُبۡرَىٰ

    Faarja Al-aya Al-Koebra

    En hij toonde hem het zeer groote teeken van den staf, die in eene slang veranderde.

  21. 21 فَكَذَّبَ وَعَصَىٰ

    fakazza oea sa

    Maar Pharao beschuldigde Mozes van bedrog, en was weerspannig tegen God.

  22. 22 ثُمَّ أَدۡبَرَ یَسۡعَىٰ

    thoemma adbar Jes'a

    Daarop wendde hij zich haastig af.

  23. 23 فَحَشَرَ فَنَادَىٰ

    fahashara fanaadi

    Hij verzamelde de toovenaren, en riep luid:

  24. 24 فَقَالَ أَنَا۠ رَبُّكُمُ ٱلۡأَعۡلَىٰ

    fakala ana Rabboekoemoe Al A'la

    Zeggende: Ik ben uw opperste Heer.

  25. 25 فَأَخَذَهُ ٱللَّهُ نَكَالَ ٱلۡـَٔاخِرَةِ وَٱلۡأُولَىٰۤ

    fa-aa-ha-dhoe Allah nakala Al-akhirati

    Daarom kastijdde God hem met de straf van het volgende leven en met die van het tegenwoordige leven.

  26. 26 إِنَّ فِی ذَ ٰ⁠لِكَ لَعِبۡرَةࣰ لِّمَن یَخۡشَىٰۤ

    Inna fee dha geloof leka laibra limen

    Waarlijk, hierin is een voorbeeld voor hem, die vreest weerspannig te zijn.

  27. 27 ءَأَنتُمۡ أَشَدُّ خَلۡقًا أَمِ ٱلسَّمَاۤءُۚ بَنَىٰهَا

    aantum a-sjed-doe chalkan ami banjaha

    Is het moeielijker u te scheppen, dan wel den hemel?

  28. 28 رَفَعَ سَمۡكَهَا فَسَوَّىٰهَا

    rafa semkaha Fesawwaha

    God heeft dien gebouwd. Hij heeft dien hoog opgevoerd, en heeft dien volmaakt gevormd.

  29. 29 وَأَغۡطَشَ لَیۡلَهَا وَأَخۡرَجَ ضُحَىٰهَا

    Wa-ghatasj lailaha en bracht voort doehaaha

    En hij heeft den nacht daarvan duister gemaakt, en heeft zijn licht voortgebracht.

  30. 30 وَٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ ذَ ٰ⁠لِكَ دَحَىٰهَاۤ

    Wal-ard bada dha geloof leka dahaja

    Hierna strekte hij de aarde uit.

  31. 31 أَخۡرَجَ مِنۡهَا مَاۤءَهَا وَمَرۡعَىٰهَا

    ach-radzja minha maaha wamaraha

    Waaruit hij het water en het gras doet voortspruiten.

  32. 32 وَٱلۡجِبَالَ أَرۡسَىٰهَا

    Wal-djiebaala arsaja

    En hij richtte de bergen op,

  33. 33 مَتَـٰعࣰا لَّكُمۡ وَلِأَنۡعَـٰمِكُمۡ

    matan lakum Wale-anamikoem

    Voor uw gebruik en voor het gebruik van uw vee.

  34. 34 فَإِذَا جَاۤءَتِ ٱلطَّاۤمَّةُ ٱلۡكُبۡرَىٰ

    feidha djaat At-tammah Al-Koebra

    Als de voorname, de groote dag zal komen.

  35. 35 یَوۡمَ یَتَذَكَّرُ ٱلۡإِنسَـٰنُ مَا سَعَىٰ

    jaum jatazakkaroe Al-insanoe ma Sa'a

    Op dien dag zal de mensch zich herinneren, wat hij opzettelijk heeft gedaan.

  36. 36 وَبُرِّزَتِ ٱلۡجَحِیمُ لِمَن یَرَىٰ

    oaburrizat Al-Jahiem Jara

    En de hel zal aan het oog van den toeschouwer worden vertoond.

  37. 37 فَأَمَّا مَن طَغَىٰ

    feama men Tagja

    En wie gezondigd zal hebben.

  38. 38 وَءَاثَرَ ٱلۡحَیَوٰةَ ٱلدُّنۡیَا

    waathara Al-hayaa Dunya

    En dit tegenwoordige leven de voorkeur zal hebben gegeven.

  39. 39 فَإِنَّ ٱلۡجَحِیمَ هِیَ ٱلۡمَأۡوَىٰ

    Feinna Al-Djahiem heja Al-Ma'wa

    Waarlijk, de hel zal zijn verblijf wezen.

  40. 40 وَأَمَّا مَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ وَنَهَى ٱلنَّفۡسَ عَنِ ٱلۡهَوَىٰ

    wa amma haf makam Vane an-nafsa ane Al-hawa

    Maar hij die de verschijning voor zijn Heer zal hebben gevreesd, en zijne ziel in hare lusten zal hebben bedwongen.

  41. 41 فَإِنَّ ٱلۡجَنَّةَ هِیَ ٱلۡمَأۡوَىٰ

    Feinna Al Djanna heja Al-Ma'wa

    Waarlijk, het paradijs zal zijne belooning zijn.

  42. 42 یَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلسَّاعَةِ أَیَّانَ مُرۡسَىٰهَا

    jesseloenaka ane As-sa'a ajjan Moersaha

    Zij zullen u ondervragen nopens het jongste uur, en wanneer de vastbepaalde tijd daarvan zal zijn.

  43. 43 فِیمَ أَنتَ مِن ذِكۡرَىٰهَاۤ

    Fejma anta min Zikriaha

    Op welke wijze kunt gij eenige inlichting daaromtrent geven?

  44. 44 إِلَىٰ رَبِّكَ مُنتَهَىٰهَاۤ

    iela Rabbi-k Moentahahaa

    Aan uw Heer behoort de kennis van het tijdstip daarvan.

  45. 45 إِنَّمَاۤ أَنتَ مُنذِرُ مَن یَخۡشَىٰهَا

    Innama anta munziru men jachsjaa

    En gij zijt slechts een waarschuwer, voor hen die het vreezen.

  46. 46 كَأَنَّهُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَهَا لَمۡ یَلۡبَثُوۤا۟ إِلَّا عَشِیَّةً أَوۡ ضُحَىٰهَا

    ka'annahum jaum djarona lam jelbathoea illa asjija au doehaaha

    Op den dag waarop zij dit zullen zien, zal het hun toeschijnen, als waren zij niet langer op de aarde gebleven dan een avond of een ochtend van dien dag.

This surah in other languages