Goddestination

Al-Waaqia

Al-Waqi'a

De Onvermijdelijke Gebeurtenis

96 ayahsMeccanNederlands

Now playing Watch on YouTube

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَـٰنِ ٱلرَّحِیمِ

Bismi Allah Ar-Rahman Ar-Rahim

  1. 1 إِذَا وَقَعَتِ ٱلۡوَاقِعَةُ

    ieza waqati Al-Waqi'ah

    Als de onvermijdelijke dag des oordeels plotseling zal komen.

  2. 2 لَیۡسَ لِوَقۡعَتِهَا كَاذِبَةٌ

    lejsa leva'atiha kazieba

    Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen.

  3. 3 خَافِضَةࣱ رَّافِعَةٌ

    chafedha Rafia

    Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden.

  4. 4 إِذَا رُجَّتِ ٱلۡأَرۡضُ رَجࣰّا

    ieza roezjet Al-ard redjen

    Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden.

  5. 5 وَبُسَّتِ ٱلۡجِبَالُ بَسࣰّا

    vabust Al-djiebaaloe bassan

    En de bergen in stukken zullen springen.

  6. 6 فَكَانَتۡ هَبَاۤءࣰ مُّنۢبَثࣰّا

    fakanet habaa moenbathā

    En als weggeblazen stof zullen worden.

  7. 7 وَكُنتُمۡ أَزۡوَ ٰ⁠جࣰا ثَلَـٰثَةࣰ

    waa koentom azwa geloof dja salasa

    En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden.

  8. 8 فَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَیۡمَنَةِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَیۡمَنَةِ

    fa'ashab Al-Maimana Ashabu Al-Maimana

    De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen).

  9. 9 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَشۡـَٔمَةِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡمَشۡـَٔمَةِ

    Wa ashaab Al-Masjamati Ashabu Al-Masjamati

    En de makkers der linkerhand, (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn);

  10. 10 وَٱلسَّـٰبِقُونَ ٱلسَّـٰبِقُونَ

    walsaabikuun As-sabiqoen

    En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan.

  11. 11 أُو۟لَـٰۤىِٕكَ ٱلۡمُقَرَّبُونَ

    oela-ieka Al-moekarrabun

    Dat zijn zij, die God zullen naderen.

  12. 12 فِی جَنَّـٰتِ ٱلنَّعِیمِ

    fee Djanna An-Na'im

    Zij zullen in tuinen van vermaak wonen.

  13. 13 ثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡأَوَّلِینَ

    thoella min Al-awwalien

    Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.

  14. 14 وَقَلِیلࣱ مِّنَ ٱلۡـَٔاخِرِینَ

    Wakiel min Al-akhirien

    En enkelen van den lateren zijn.

  15. 15 عَلَىٰ سُرُرࣲ مَّوۡضُونَةࣲ

    Ala mauzoenah

    Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd.

  16. 16 مُّتَّكِـِٔینَ عَلَیۡهَا مُتَقَـٰبِلِینَ

    moettekiena alejha mutaqabilina

    En tegenover elkander daarop zittende.

  17. 17 یَطُوفُ عَلَیۡهِمۡ وِلۡدَ ٰ⁠نࣱ مُّخَلَّدُونَ

    djatuufu alayhim weld geloof nã moechalladoen

    Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen heen gaan, om hen te bedienen.

  18. 18 بِأَكۡوَابࣲ وَأَبَارِیقَ وَكَأۡسࣲ مِّن مَّعِینࣲ

    beakwabin wa a-ba-rie-ka Wakas min Main

    Met bekers, kroezen en schalen met vloeienden wijn.

  19. 19 لَّا یُصَدَّعُونَ عَنۡهَا وَلَا یُنزِفُونَ

    la joe-sed-ah-oen anha joen-zefoen

    Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden.

  20. 20 وَفَـٰكِهَةࣲ مِّمَّا یَتَخَیَّرُونَ

    mimma jeta khajroen

    En met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen.

  21. 21 وَلَحۡمِ طَیۡرࣲ مِّمَّا یَشۡتَهُونَ

    velahmi tajr mimma jasjtoeona

    En het vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren.

  22. 22 وَحُورٌ عِینࣱ

    Wahoer ain

    Daar zullen zij door schoone maagden worden vergezeld,

  23. 23 كَأَمۡثَـٰلِ ٱللُّؤۡلُوِٕ ٱلۡمَكۡنُونِ

    ka amthal Alloeloeie Al-Maknoen

    Met groote, zwarte oogen, gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn.

  24. 24 جَزَاۤءَۢ بِمَا كَانُوا۟ یَعۡمَلُونَ

    dzjaza bima kanoe ja'maloen

    Dit zal een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht.

  25. 25 لَا یَسۡمَعُونَ فِیهَا لَغۡوࣰا وَلَا تَأۡثِیمًا

    jesma'oen fieha lagwa ta'thieman

    Daar zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot zonde.

  26. 26 إِلَّا قِیلࣰا سَلَـٰمࣰا سَلَـٰمࣰا

    illa Kiela salaam salaam

    Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede!

  27. 27 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلۡیَمِینِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلۡیَمِینِ

    Wa ashaab Al-Jamien Ashabu Al-Jamien

    En de makkers der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen!)

  28. 28 فِی سِدۡرࣲ مَّخۡضُودࣲ

    fee sedr mahoed

    Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van doornen.

  29. 29 وَطَلۡحࣲ مَّنضُودࣲ

    Vetalh manzoed

    En banaan-boomen, geregeld beladen met hunne voortbrengselen, van den top tot den stam.

  30. 30 وَظِلࣲّ مَّمۡدُودࣲ

    Vaziel Mamdoed

    In de uitgebreide schaduw.

  31. 31 وَمَاۤءࣲ مَّسۡكُوبࣲ

    wama meskoeb

    Nabij een stroomend water.

  32. 32 وَفَـٰكِهَةࣲ كَثِیرَةࣲ

    katira

    En te midden van een overvloed van vruchten.

  33. 33 لَّا مَقۡطُوعَةࣲ وَلَا مَمۡنُوعَةࣲ

    la makt-oe-a mamnoeah

    Welke niemand zal afsnijden, en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn.

  34. 34 وَفُرُشࣲ مَّرۡفُوعَةٍ

    vafoeroesj merfoe-a

    En zij zullen op verheven bedden uitrusten.

  35. 35 إِنَّاۤ أَنشَأۡنَـٰهُنَّ إِنشَاۤءࣰ

    Inna Ansha'nahunna Insha

    Waarlijk, wij hebben de maagden van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd;

  36. 36 فَجَعَلۡنَـٰهُنَّ أَبۡكَارًا

    fadzjalnahoenna abkaran

    En wij hebben haar tot maagden gemaakt.

  37. 37 عُرُبًا أَتۡرَابࣰا

    oeroeban atraben

    Bemind door hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn.

  38. 38 لِّأَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ

    Leasjabie Al-Jamien

    Tot de geneugten der makkers van de rechterhand.

  39. 39 ثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡأَوَّلِینَ

    thoella min Al-awwalien

    Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.

  40. 40 وَثُلَّةࣱ مِّنَ ٱلۡـَٔاخِرِینَ

    wasoella min Al-akhirien

    En velen van den lateren zijn.

  41. 41 وَأَصۡحَـٰبُ ٱلشِّمَالِ مَاۤ أَصۡحَـٰبُ ٱلشِّمَالِ

    Wa ashaab Ash-Shimaali Ashabu Ash-Shimaali

    En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn).

  42. 42 فِی سَمُومࣲ وَحَمِیمࣲ

    fee samoem Wehhiem

    Zullen wonen te midden van brandende, verpestende winden en kokend water.

  43. 43 وَظِلࣲّ مِّن یَحۡمُومࣲ

    Vaziel min jahmoem

    Onder de schaduw van zwarten rook.

  44. 44 لَّا بَارِدࣲ وَلَا كَرِیمٍ

    la barid Keriem

    Die noch koel, noch aangenaam zal wezen.

  45. 45 إِنَّهُمۡ كَانُوا۟ قَبۡلَ ذَ ٰ⁠لِكَ مُتۡرَفِینَ

    Innahum kanoe kibla dha geloof leka moetrefiena

    Want zij genoten de genoegens van het leven, vóór dit, terwijl zij op de aarde waren.

  46. 46 وَكَانُوا۟ یُصِرُّونَ عَلَى ٱلۡحِنثِ ٱلۡعَظِیمِ

    waa kanoe joe-srroe-na allai Al-Hinthi Al-Azim

    En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke zondigheid.

  47. 47 وَكَانُوا۟ یَقُولُونَ أَىِٕذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابࣰا وَعِظَـٰمًا أَءِنَّا لَمَبۡعُوثُونَ

    waa kanoe jaqoeloen a-ie-za Metna oe koenna turaban Waizama A inna lembe'oethoen

    En zij zeiden: Nadat wij zullen gestorven, en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk tot het leven worden opgewekt?

  48. 48 أَوَءَابَاۤؤُنَا ٱلۡأَوَّلُونَ

    Awaabaauna Al-awwalun

    Zullen onze vaderen ook met ons worden opgewekt?

  49. 49 قُلۡ إِنَّ ٱلۡأَوَّلِینَ وَٱلۡـَٔاخِرِینَ

    koel Inna Al-awwalien Wal aakhirien

    Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de lateren.

  50. 50 لَمَجۡمُوعُونَ إِلَىٰ مِیقَـٰتِ یَوۡمࣲ مَّعۡلُومࣲ

    lamadzdjmu'oeun iela meykat jaum ma'loem

    Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden.

  51. 51 ثُمَّ إِنَّكُمۡ أَیُّهَا ٱلضَّاۤلُّونَ ٱلۡمُكَذِّبُونَ

    thoemma aijuha Adh-dhaalloena Al-moekazziboen

    En gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid geloochend hebt.

  52. 52 لَـَٔاكِلُونَ مِن شَجَرࣲ مِّن زَقُّومࣲ

    leakieloena min sjadzjar min Zakkoem

    Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms van al Zakkoem.

  53. 53 فَمَالِـُٔونَ مِنۡهَا ٱلۡبُطُونَ

    Famaliun minha al-boetoen

    Gij zult uwen buik daarmede vullen.

  54. 54 فَشَـٰرِبُونَ عَلَیۡهِ مِنَ ٱلۡحَمِیمِ

    fesjarieboen alayhi mina Al-Hamiem

    En gij zult daar kokend water drinken.

  55. 55 فَشَـٰرِبُونَ شُرۡبَ ٱلۡهِیمِ

    fesjarieboen Sjoerb Al-Hiem

    Gij zult drinken, zooals een dorstige kameel drinkt.

  56. 56 هَـٰذَا نُزُلُهُمۡ یَوۡمَ ٱلدِّینِ

    haza noezoeloehoem jaum ed-Dien

    Dit zal hunne uitspanning op den dag des oordeels zijn.

  57. 57 نَحۡنُ خَلَقۡنَـٰكُمۡ فَلَوۡلَا تُصَدِّقُونَ

    nahnoe chaleqnakum Falolla toe-seddie-koe-on

    Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven, dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij?

  58. 58 أَفَرَءَیۡتُم مَّا تُمۡنُونَ

    Afara-ejtum maa temnun

    Het zaad dat gij uitwerpt.

  59. 59 ءَأَنتُمۡ تَخۡلُقُونَهُۥۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡخَـٰلِقُونَ

    aantum tachloekoenoehoe am nahnoe Al-chalikoen

    Schept gij dat, of zijn wij er de schepper van?

  60. 60 نَحۡنُ قَدَّرۡنَا بَیۡنَكُمُ ٱلۡمَوۡتَ وَمَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوقِینَ

    nahnoe kadarna bjenkoem Al maut vama nahnoe bimasboekiena

    Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin door niemand worden belet.

  61. 61 عَلَىٰۤ أَن نُّبَدِّلَ أَمۡثَـٰلَكُمۡ وَنُنشِئَكُمۡ فِی مَا لَا تَعۡلَمُونَ

    an noebeddiela amsalakum Venunshiekoem fee ma ta'lamoena

    Wij zijn in staat anderen, gelijk gij in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of den vorm, dien gij niet kent.

  62. 62 وَلَقَدۡ عَلِمۡتُمُ ٱلنَّشۡأَةَ ٱلۡأُولَىٰ فَلَوۡلَا تَذَكَّرُونَ

    Vuh-lakd alimtumu An-nash'ah Al-oela Falolla tazakkaroena

    Gij kent de schepping; wilt gij dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen voortbrengen?

  63. 63 أَفَرَءَیۡتُم مَّا تَحۡرُثُونَ

    Afara-ejtum maa tah-roe-thoen

    Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait.

  64. 64 ءَأَنتُمۡ تَزۡرَعُونَهُۥۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلزَّ ٰ⁠رِعُونَ

    aantum tazra'oenohoe am nahnoe Alzja geloof riun

    Doet gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten?

  65. 65 لَوۡ نَشَاۤءُ لَجَعَلۡنَـٰهُ حُطَـٰمࣰا فَظَلۡتُمۡ تَفَكَّهُونَ

    Lauw nesja ledzjel'nahoe fazaltoem tafakkoehun

    Indien het ons behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende:

  66. 66 إِنَّا لَمُغۡرَمُونَ

    lamoegramoen

    Waarlijk, wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid,

  67. 67 بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُومُونَ

    nahnoe mahroemoen

    Maar het is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten.

  68. 68 أَفَرَءَیۡتُمُ ٱلۡمَاۤءَ ٱلَّذِی تَشۡرَبُونَ

    Afara'ejtoem Al-maa al-ladhie Tasjrabuna

    Wat denkt gij? Het water dat gij drinkt.

  69. 69 ءَأَنتُمۡ أَنزَلۡتُمُوهُ مِنَ ٱلۡمُزۡنِ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡمُنزِلُونَ

    aantum anzaltoemooehoe mina Al-Moeznie am nahnoe Al-moenzieloen

    Zendt gij dat uit de wolken neder, of zenden wij het?

  70. 70 لَوۡ نَشَاۤءُ جَعَلۡنَـٰهُ أُجَاجࣰا فَلَوۡلَا تَشۡكُرُونَ

    Lauw nesja Dja'alnaah oedzjadzj Falolla tashkoeroen

    Indien het ons behaagde, zouden wij het brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen?

  71. 71 أَفَرَءَیۡتُمُ ٱلنَّارَ ٱلَّتِی تُورُونَ

    Afara'ejtoem An-naar Al-latie toerun

    Wat denkt gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt,

  72. 72 ءَأَنتُمۡ أَنشَأۡتُمۡ شَجَرَتَهَاۤ أَمۡ نَحۡنُ ٱلۡمُنشِـُٔونَ

    aantum ansja'tum sjadjarataha am nahnoe Al-Moesjioen

    Brengt gij den boom voort, waardoor gij dat doet ontstaan? Of brengen wij dien voort?

  73. 73 نَحۡنُ جَعَلۡنَـٰهَا تَذۡكِرَةࣰ وَمَتَـٰعࣰا لِّلۡمُقۡوِینَ

    nahnoe Dja'alnaha vamataan Lil-moekwienien

    Wij hebben dit als eene vermaning bevolen en tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen.

  74. 74 فَسَبِّحۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلۡعَظِیمِ

    fesabbih besmi Rabbi-k Al-Azim

    Prijst dus den naam van uwen Heer, den grooten God.

  75. 75 ۞ فَلَاۤ أُقۡسِمُ بِمَوَ ٰ⁠قِعِ ٱلنُّجُومِ

    Oeksiemoe bimova geloof kje An-noedjoem

    Ik zweer echter, bij het ondergaan der sterren.

  76. 76 وَإِنَّهُۥ لَقَسَمࣱ لَّوۡ تَعۡلَمُونَ عَظِیمٌ

    Wa innahoe Lakasamun lau ta'lamoena aziem

    (En waarlijk, dit is een groote eed, indien gij het slechts wist!)

  77. 77 إِنَّهُۥ لَقُرۡءَانࣱ كَرِیمࣱ

    Innahoe laqoer-aan

    Dat dit de uitmuntende Koran is.

  78. 78 فِی كِتَـٰبࣲ مَّكۡنُونࣲ

    fee makunun

    Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek is geschreven.

  79. 79 لَّا یَمَسُّهُۥۤ إِلَّا ٱلۡمُطَهَّرُونَ

    la jamoes-soehoe illa Al-moetahharoen

    Niemand zal het aanraken, behalve zij, die rein zijn.

  80. 80 تَنزِیلࣱ مِّن رَّبِّ ٱلۡعَـٰلَمِینَ

    Tanziel min Rabbie Al-alemien

    Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.

  81. 81 أَفَبِهَـٰذَا ٱلۡحَدِیثِ أَنتُم مُّدۡهِنُونَ

    A fa bi haza moedhienoen

    Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten?

  82. 82 وَتَجۡعَلُونَ رِزۡقَكُمۡ أَنَّكُمۡ تُكَذِّبُونَ

    Wa tadzj'aloena rizkakoem anakoem toekazzieboen

    En is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt, dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn?

  83. 83 فَلَوۡلَاۤ إِذَا بَلَغَتِ ٱلۡحُلۡقُومَ

    ieza balagati Al-hoelkoem

    Als de ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt.

  84. 84 وَأَنتُمۡ حِینَىِٕذࣲ تَنظُرُونَ

    wa-antum hieniez tenzoeroena

    En gij op hetzelfde oogenblik rond ziet.

  85. 85 وَنَحۡنُ أَقۡرَبُ إِلَیۡهِ مِنكُمۡ وَلَـٰكِن لَّا تُبۡصِرُونَ

    Wa nahnoe akrabu ilayhi minkoem velakin la toebsieroen

    (En wij zijn hem nader dan gij; maar gij ziet zijn waren toestand niet).

  86. 86 فَلَوۡلَاۤ إِن كُنتُمۡ غَیۡرَ مَدِینِینَ

    in Ghajra Medinina

    Zoudt gij dan niet, indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden.

  87. 87 تَرۡجِعُونَهَاۤ إِن كُنتُمۡ صَـٰدِقِینَ

    tardzjie-oenaha in Sadikiena

    Die in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt?

  88. 88 فَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡمُقَرَّبِینَ

    in kana mina Al-moeqarrabiena

    En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen naderen.

  89. 89 فَرَوۡحࣱ وَرَیۡحَانࣱ وَجَنَّتُ نَعِیمࣲ

    Faroeh Waraiehan Wa djannatoe Na'im

    Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van vermaak.

  90. 90 وَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنۡ أَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ

    in kana Ashabi Al-Jamien

    En behoort hij tot de makkers der rechterhand.

  91. 91 فَسَلَـٰمࣱ لَّكَ مِنۡ أَصۡحَـٰبِ ٱلۡیَمِینِ

    feselaam laka Ashabi Al-Jamien

    Dan zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de makkers der rechterhand, zijne broeders.

  92. 92 وَأَمَّاۤ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡمُكَذِّبِینَ ٱلضَّاۤلِّینَ

    in kana mina Al-moekaddibien Adh-dhaallien

    Of, indien hij tot hen behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. En afgedwaald zijn.

  93. 93 فَنُزُلࣱ مِّنۡ حَمِیمࣲ

    fanuzul

    Zijn voedsel zal kokend water wezen.

  94. 94 وَتَصۡلِیَةُ جَحِیمٍ

    Wa tasliatoe Djahim

    En de verbranding door het hellevuur.

  95. 95 إِنَّ هَـٰذَا لَهُوَ حَقُّ ٱلۡیَقِینِ

    Inna haza lahoe-wa Hakkoe Al-Yaqīnie

    Waarlijk, dit is een zekere waarheid.

  96. 96 فَسَبِّحۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلۡعَظِیمِ

    fesabbih besmi Rabbi-k Al-Azim

    Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.

This surah in other languages